20 december 2007

Bokitoproof

Niet ‘comazuipen’ maar ‘Bokitoproof’ is uiteindelijk verkozen tot Woord van het jaar 2007.
Dat hebben de organisatoren van de internetverkiezing (Van Dale Lexicografie en het Genootschap Onze Taal) onlangs laten weten.

Bokito was ook al een racistische term voor iemand van niet-Nederlandse komaf; meestal van toepassing op een (relletjesschoppende) Marokkaan.

Maar nu is er dus ook ‘Bokitoproof’. Met dit woord wordt aangegeven dat een dierentuin uitbraakveilig is.
De term verwijst naar de zilverruggorilla uit Diergaarde Blijdorp die begin 2007 uitbrak en veel amok maakte. Bokitoproof werd gevormd naar analogie van andere samenstellingen met als tweede deel het Engelse ‘proof’: bestand tegen wat voorafgaat. Voorbeelden zijn milleniumproof en hufterproof (gezegd van straatmeubilair, kunstvoorwerpen, metrostellen enz., bestand tegen vandalen en graffiti-beoefenaars; sloopbestendig dus).
Tevoren bestond al 'inbraakproof' (reeds teruggevonden in een jeugdboek van Willy van der Heide: Ali Roos als Arie Baba. 1960).
Of ‘Bokitoproof’ ook tegen de tijd bestand is, is natuurlijk een andere vraag.

18 december 2007

Het syndroom van Ulyssus.

Over syndromen hebben we het hier al eerder gehad. Er kan dus nog altijd ééntje bij.
Illegalen en migranten in ballingschap hebben meer en meer te kampen met diepe depressies. In tegenstelling tot de gangbare depressies worden de slachtoffers niet onverschillig en lopen ze niet rond met zelfmoordneigingen. Toch boog het Europees Parlement zich enkele jaren geleden al over dit nieuwe fenomeen: het syndroom van Ulyssus.
De naam verwijst naar de heroïsche tocht van deze figuur uit de Griekse mythologie.

16 december 2007

Comazuipen.

Wordt dit hét woord van 2007, dat ene woord dat volgens Van Dale Lexicografie en het Genootschap Onze Taal het voorbije jaar het best typeert?

Onder ‘comadrinken’ of ‘comazuipen’ verstaat men: zo snel mogelijk stomdronken worden (zodat men in coma raakt). Het gaat blijkbaar om een populair tijdverdrijf onder jongeren. Begin 2007 werden in Nederland kinderen tussen de 12 en 15 jaar met een alcoholvergiftiging in het ziekenhuis opgenomen. Nederlandse ministers vonden toen dat mixdranken uit de supermarkt moesten verdwijnen en jongeren onder de 16 die met alcohol betrapt worden, een boete moeten krijgen. In sommige gemeenten moesten zelfs speciale opsporingsambtenaren toezicht houden op drankmisbuik onder de plaatselijke jeugd. Het woord werd ontleend aan het Duits: Komasaufen (in Oostenrijk: Komalöten). In Berlijn raakte in februari 2007 een 16-jarige gymnasiast in coma nadat hij zomaar 52 glazen tequila achterover had gekeild. Volgens Der Spiegel was er sprake van een trend. 'Kampftrinken und Komasaufen', wedstrijddrinken en comazuipen. Dankzij intensieve anti-alcoholcampagnes is de Duitse jeugd gemiddeld minder gaan drinken.

In Nederland werd door de televisiereportage ‘Comazuipen’ van Bernard Krikke de aandacht gevestigd op studentikoze termen als ‘atten’ of ‘adje trekken’ (beide afgeleid van ad fundum): een glas in één keer leegdrinken. Er was sprake van wedstrijden wie het snelst vier plastic bekertjes Jägermeister achter elkaar kan leegdrinken.

Comadrinken lijkt wat op ‘bingedrinken’ of kortweg ‘bingen’, volgens Van Dale: een groot aantal (minimaal vijf) glazen alcoholhoudende drank in korte tijd opdrinken om in een alcoholische roes te geraken. Het woord komt uit het Engels, waar ‘to binge’ gewoon ‘zuipen, brassen’ betekent. Een ‘binge’ is dan een braspartij.

12 december 2007

Oelewapper.

Kloeiende Kloppartij… Jai lelijke Oelewap! stond er in een populair jeugdboek uit 1952.

Een oelewap of oelewapper is iemand die zich raar gedraagt; een domoor, sufferd of onbenullig iemand. Volgens Onze Taal (juli/augustus 1986) zou het woord dateren uit de periode van de Spaanse bezetting, de Tachtigjarige Oorlog. Spaanse soldaten zouden toen bij het zien van een Nederlandse vrouw uitgeroepen hebben: olé guapa, vrij vertaald: ‘wat een stuk’. Hun Nederlandse medeminnaars zouden dit opgepikt hebben en verbasterd tot oelewapper. Etymologie van de koude grond, denk je dan.
Plausibeler is dat we hier te maken hebben met een samenstelling van oele (schertsend tussenwerpsel dat zoveel betekent als ‘dat kun je denken; mooi niet’) en wapper (in de zin van ‘slungel’). In het Fries betekent ûlewapper overigens ‘grote nachtvlinder; sul; sufferd’. Niet vreemd als je bedenkt dat oele tevens een dialectwoord is voor ‘uil’.

Het scheldwoord oelewapper was reeds gebruikelijk in de jaren 1945-1950. Misschien was de verkorte versie oelewap wel de oervorm. In een detective uit 1948 wordt de woordspeling zoeloewapper vermeld, hetgeen er eveneens op wijst dat oelewapper toen reeds ingeburgerd was. Het woord werd echter vooral populair in de jaren zestig van vorige eeuw.
Zo kwam het bijvoorbeeld voor in een liedje (uit 1967) van Jo Budie, de Oelewapperspolka.
Ook nu nog is het erg geliefd. In 2004 dook de samenstelling oelewapperdivisie op.
In hetzelfde jaar was er ook het rapliedje ‘Supervisie’ van Lange Frans en Baas B. Daarin kwamen volgende regels voor: ‘je bent een zielige stakker, een oelewapper, een koekebakker, die zo hard z’n best doet om de boel te schrappen’.
Een en ander bewijst dat het woord nog niet op zijn retour is. Op internetforums kom je dit scheldwoord geregeld tegen, al lijken veel jongeren de precieze betekenis niet te kennen.
Wie gebruikmaakt van het protocol om met een mobiele telefoon op het internet te gaan (in jargon wappen genoemd) wordt tegenwoordig in ‘digi-taalgebruik’ spottend een oeleWAPper genoemd. Volgens de ‘Urban Dictionary’ op internet zou de Engelse slangterm oetwamber een verbastering zijn van het Nederlandse oelewapper. Het woord maakt dus duidelijk school.

05 december 2007

Laat ie fijn zijn.

Kent iemand deze uitdrukking eigenlijk nog?
Vlaamse lezers zullen wellicht even de wenkbrauwen fronsen maar in Nederland was (is?) dit een uitroep van goedkeuring: prachtig; leuk; goed zo. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was het de slogan van het kledingschoonmaakbedrijf `One Hour Cleaning Service’. Het bedrijf publiceerde advertenties onder deze slogan, die steevast gevolgd werd door de melding: `Ook Uw kleding wordt zoo opvallend mooi indien chemisch gereinigd en geperst door One Hour Cleaning Service.' Er moet ook een liedje met die titel geweest zijn, tenminste als we de historische krant het Vaderland (20/12/1941) mogen geloven.
Godfried Bomans gebruikte deze ondertussen oubollige uitdrukking in zijn boek ‘Capriolen’ (1953):
Bij de 100 even de keu neer om de zinnen wat te verzetten, en dan, hoepsakee, de tweede honderd tegemoet, sigaartje in het bekje, de beentjes éven gebogen, billetjes gespannen en het polsje lekker gesmeerd. Laat ie fijn zijn. Laat ie fijn wezen.”
Een volkse variant (gesignaleerd door Inez van Eijk. 1978) is: ‘Laat ie snor zijn (en Adolf heten!), waarmee werd gezinspeeld op Hitler.

02 december 2007

Hubba hubba.

De meesten onder ons zullen meteen denken aan het Marsipulamilied van Dennie Christian maar dat is dan verkeerd gegokt. Deze reduplicatie (vaak zelfs gevolgd door een derde hubba) is een soort oerkreet om enthousiasme of goedkeuring mee uit te drukken, eigenlijk het linguistisch equivalent van een lokfluitje bij het zien van een aantrekkelijke vrouw, die een groep mannen passeert.

In Amerika werd deze uitroep tijdens W.O. II veelvuldig gehoord (op de radio, in de film). Ze werd beroemd gemaakt door komiek Bob Hope maar zou volgens sommige bronnen ontstaan zijn onder Amerikaanse luchtvaartpiloten (die het overnamen van Chinese piloten op een luchtbasis in Florida). In het Cornish (de Keltische taal gesproken in Cornwall) zou ‘hubba’ ook een waarschuwingskreet zijn bij het vissen, nl. ‘sardienen in de buurt’.

‘Hubba hubba’ is zowat een internationale kreet geworden. Michael B. Tretow, de geluidstechnicus en co-producer van ABBA, was ook maker van veel film- en reclamemuziek. Hij bracht een reeks eigen nummers uit, waarvan enkele de Zweedse hitparade haalden, zoals ‘Hubba hubba zoot zoot’.
In onze lage landen is deze catchphrase stilaan erg populair aan het worden. Zo zei Kader Abdolah een paar jaar geleden in de Volkskrant:
“In de nacht waarop ik de titel ridder van de koningin kreeg, kwam Bill Gates, de baas van Microsoft, in mijn droom. Mijn Nederlands was ineens accentloos. Ook hij sprak Nederlands. Hij vertelde me dat hij op dezelfde Perzische basisschool zat. Toen hebben we in het Perzisch tegen elkaar gezegd: wie slim is, gaat eerder dood. Vervolgens riepen we samen: Hubba! Hubba! Huuubaaba!”

28 november 2007

Kansenzones.

Beleidsmakers hebben het tegenwoordig over een ‘kansenzone’ wanneer ze een achterstandsgebied bedoelen. Achterbuurten worden gezien als ontwikkelingsgebieden waarin kan geïnvesteerd worden (lees: vele extra miljoenen kunnen gepompt).

De economische bedrijvigheid wordt in dergelijke achterstandswijken gestimuleerd door allerlei maatregelen (bijvoorbeeld: het belastingvrij van start gaan; soepele wetgeving enz.). Wie bedrijven naar een sjofele buurt wil lokken doet dit veel beter door deze buurt te camoufleren als een ‘kansen­zone’. Dit eufemisme werd reeds gesignaleerd door Frank Jansen in Onze Taal, januari 1997. Men spreekt ook wel over een ‘economisch stimuleringsgebied’. In Amerika worden midden- en kleinbedrijven naar de arme binnensteden gelokt met zgn. ‘empowerment zones’. In Vlaanderen gebruikt men het eufemisme ‘herwaarderingsgebied’.

25 november 2007

Dappere dodo.

‘Waarschijnlijk heeft een of andere dappere dodo bij de eindredactie van Het Parool die naam voor mij verzonnen. Niet erg creatief.....’, stond er een paar jaar terug in het tijdschrift HP/ De Tijd.
De uitdrukking ‘dappere dodo’ is vooral populair geworden dankzij de kinderserie ‘Dappere Dodo’ (een creatie van marionettenspeler Bert Brugman) die op 3 februari 1955 bij de KRO van start ging.
Deze tv-serie verdween pas in 1964 na 75 afleveringen van het scherm. Het kinderkoor De Karekieten vertolkten het lied van Dappere Dodo. De beginregels klonken zo: ‘Jongens, meisjes, kijk nu goed / Wat die dapp’re Dodo doet.’ Figuren uit de televisiereeks waren Opa Buiswater en juffrouw Vulpen.
Tegenwoordig is ‘dappere dodo’ een populaire bijnaam voor iemand die op een sullige manier probeert dapper te zijn. Deze dodo heeft niets te maken met de gelijknamige uitgestorven walgvogel, die een dot veren aan de aars heeft en er vrij dom uitziet. De naam werd door tekstschrijver Fred Bredschneyder ontleend aan een boek over heiligen, waarin onder anderen een zekere Sint-Dodo van Asch voorkwam.

19 november 2007

Dozenschuivers.

In de computerbranche noemen we een handelaar die of een bedrijf dat enkel apparatuur (hardware) levert maar geen service biedt, smalend een ‘dozenschuiver’.

De term wordt tegenwoordig veel algemener gebruikt, bijvoorbeeld met betrekking tot tv-omroepen: “Door falend overheidsbeleid is de omroep verworden tot een doorgeefluik. "Ze maken weinig programma's zelf meer; het zijn dozenschuivers geworden,' zegt Nico van Eijk. (Algemeen Dagblad).

10 november 2007

Zijn er nog aso's in de zaal?

Een aso is een persoon die zich asociaal gedraagt; meestal iemand uit de onderklasse. In Vlaanderen is dit scheldwoord nauwelijks bekend, in Nederland des te meer.

We hebben het wellicht midden jaren tachtig van vorige eeuw ontleend aan het Duits. Het woord is vooral populair onder jongeren, politiemensen en welzijnswerkers.
In 2003 werd op 36 scholengemeenschappen in Nederland de zgn. aso-test gebruikt. Deze test bestaat uit een hip vormgegeven cd-rom waarmee jonge gebruikers confronterende vragen krijgen voorgeschoteld over gedragsvormen op school en in het verkeer, en ook over zaken als heling. Bijvoorbeeld: Steek je je middelvinger op? Koop je een mobieltje van dubieuze herkomst wanneer iemand je zegt dat het wel oké is? Wie bij deze test een score van ‘60 procent aso’ heeft, kan dan bestempeld worden als een hufter.
De extreem vervuilende terreinwagen (ook wel PC-Hoofttractor) wordt sedert 2004 vaak dysfemistisch een asobak genoemd, wellicht naar analogie van het oudere ‘pooierbak’ (opzichtige, veelal grote auto).

03 november 2007

Uitvlagoperaties.

In 1993 kwam de Belgische luchtvaartmaatschappij SABENA meermaals in het nieuws vanwege een nakend faillissement. Het noodplan voorzag in allerlei besparingen maar dit stuitte op zo’n weerstand van het personeel, met stakingen als gevolg, dat van dit voornemen maar werd afgezien. De geruchtenmolen had het vervolgens over een mogelijke fusie en dan eind 1993 dook plots het bericht op dat SABENA haar piloten zou uitvlaggen.
Een werkgroep van fiscale en juridische deskundigen binnen de maatschappij onderzocht de mogelijkheid om de piloten onder te brengen in een buitenlandse vennootschap, waardoor op de lonen minder sociale bijdragen zouden moeten betaald worden dan in België het geval is. Naast Engeland (bedoeld werd het fiscale paradijs Jersey, aldus De Morgen) weerklonk de naam Malta als mogelijke vestigingsplaats van de nieuwe dochtermaatschappij.
In 1995 schreef het weekblad Knack: De poging van Sabena om zijn piloten naar Luxemburg "uit te vlaggen", maakte een strijd om principes los. In de verte daagt de ekonomische jungle.

Juridisch is een dergelijke uitvlagoperatie mogelijk, al is het natuurlijk een mooi voorbeeld van een U-bochtconstructie (volgens Van Dale: een omweg waarmee men een wet wil omzeilen of controle van de overheid wil voorkomen).

Wellicht zullen de piloten geen loonverlies lijden, alleen is het nog niet zo duidelijk of dat ook voor het pensioen van de werknemer geldt. SABENA ontkende het mediabericht niet maar stelde dat er nog niets definitiefs was. Vakbonden en politici reageerden evenwel ontstemd.

Ondertussen werden we door de media vertrouwd gemaakt met het begrip uitvlaggen. Wie denkt dat dit verschijnsel zich alleen voordoet in de luchtvaart vergist zich. Eind 1993 meldde het Nieuwsblad Transport in Nederland dat een bepaald transportbedrijf van plan was de komende jaren een groot aantal van zijn 600 vrachtwagens uit te vlaggen naar buitenlandse vestigingen als de loonkosten in Nederland niet zouden dalen!

Het mag dus duidelijk zijn dat onder uitvlaggen moet verstaan worden: het uitbetalen van salarissen via een buitenlands filiaal om zo kosten te besparen. Het begrip is afkomstig uit de scheepvaart. Bij een goedkope vlag denken we natuurlijk dadelijk aan een vlag die ergens voor een spotprijsje gekocht werd, maar dat wordt hier geenszins bedoeld.

Een goedkope vlag noemt men in het Engels een flag of convenience (al gebruiken Amerikanen liever de term flag of necessity), in het Frans pavillon de complaisance, terwijl Duitsers het houden bij een billige Flagge.

Koopvaardijschepen kunnen zich laten registreren in een ander land dan datgene waartoe ze behoren, bv. Liberia, Panama, Costa Rica, Honduras, stuk voor stuk landen waar de internationale overeenkomsten over minimumlonen, arbeidsvoorwaarden e.d. voor zeelui niet gevolgd worden. Liberia heeft overigens de grootste koopvaardijvloot ter wereld.

De schepen varen dan onder een goedkope vlag, ook wel een gemaksvlag genoemd, d.i. de vlag van een land waar de kosten laag en de regels soepel zijn. Daardoor kunnen ze ook controle van hun eigen regering vermijden. Ze krijgen in feite een fictieve nationaliteit. Deze praktijk werd courant na de tweede wereldoorlog. Voor de reders is het een populaire vorm van kostenbesparing. Het is natuurlijk oneerlijke concurrentie met rederijen die hun personeel wel het volle pond betalen.

29 oktober 2007

Duitse kinderwagens.

Laatst zag ik de ontzettend mooie film 'Das Leben der Andern'. Daarbij werd ik even teruggeworpen in de tijd en onwillekeurig moest ik aan auto's denken.
In de jaren zestig van vorige eeuw noemde men een Duitse wagen of motorfiets van het merk DKW vaak schertsend een ‘Duitse kinderwagen’. In dezelfde periode werden auto’s met de letters DD, o.a. gebruikt voor uit Duitsland geïmporteerde auto’s, ook wel ‘
Duitse deuk’ genoemd. ‘Deuk’ sloeg dan op een tweedehands­auto.
Zo schreef Helga Ruebsamen in haar roman ‘Het lied en de waarheid’ (uit 1997): ‘Ernst Haindl reed, toen wij hem voor het eerst zagen, op een Duitse Kinderwagen, een motorfiets, een DKW.’

18 oktober 2007

Irregulieren.

Polemologen hebben het wel eens over ‘irregulieren’. Ze bedoelen dan: paramilitairen; ongeregelde troepen: soldaten die niet echt militair gevormd maar vaak extreem gewelddadig zijn. Bovendien lappen ze meestal alle oorlogsregels aan hun laars. De term is afgeleid van het Franse ‘irrégulier’ (onregelmatig; ongeregeld).
Het is beslist geen nieuw feno­meen. De Romeinen namen al plaatselijke stammen in dienst: de barbaren. De Russische tsaren lieten de islamitische zuidgrens destijds bewaken door Kozakken.

16 oktober 2007

Conculega.

Pseudo-Latijn? Helemaal niet. Dit is iemand die hetzelfde werk verricht of hetzelfde product maakt, m.a.w. een collega die men als concurrent beschouwt. Conculega is dan ook een samentrekking van deze laatste twee woorden.
Zo stond er in 1996 in het computertijdschrift Computable: “De eerste berichten dat Seagate 'conculega' Conner zou overnemen dateren al van oktober vorig jaar. Begin vorige maand is de overname bekrachtigd en ontvangen de aandeelhouders van Conner per aandeel 0,442 aandeel Seagate.”

13 oktober 2007

De bv Nederland.

Deze informele uitdrukking komen we de laatste tijd wel meer tegen.
Bedoeld wordt: Nederland, gezien als een onderneming die moet draaien. De geestelijke vader is niet premier Balkenende, mocht u dat al denken.
Een vergelijkbare uitdrukking is de ‘N.V. Je Maintiendrai’ voor de Nederlandse krijgsmacht. (zie hiervoor Henk Salleveldt: Het woordenboek van Jan Soldaat. 1978). De oudste vindplaats voor ‘bv Nederland’ tot nu toe komt uit Vrij Nederland van 1979: “Het circus van Aardenne: de smalle marges van een leidinggevende functie bij de bv Nederland".”

12 oktober 2007

De wasbeerlook.

Als alternatief voor het Engelse ‘junkie look’ kan dit tellen. We hebben hier te maken met een pejoratieve aanduiding voor het broodmager uiterlijk van een mannequin of fotomodel, type Kate Moss. De trend is niet echt nieuw. Al in de jaren twintig van vorige eeuw was er het dunne jongensmeisje, de ‘garçonne’, en in de jaren vijftig het existentialistische balletmeisje, type Audrey Hepburn. In de jaren zeventig maakten Twiggy en Jean Shrimpton furore. Een decennium later werden modellen als Claudia Schiffer en Naomi Campbell populair: niet extreem mager, lange benen en grote borsten. In de Nederlandse jeugdtaal bestaat sinds begin jaren tachtig van vorige eeuw de aanduiding ‘junkiemager’ voor opvallend mager.

08 oktober 2007

Jip-en-Janneketaal.

Gecompliceerde boodschappen in Jip-en-Janneketaal overbrengen, het is niet gemakkelijk. Vraag dat maar aan onze politici. Jip-en-Janneketaal staat voor: simplistisch taalgebruik dat voor iedereen bevattelijk is.
De uitdrukking verwijst naar de geesteskinderen van kinderboekenschrijfster Annie M.G. Schmidt, maar werd populair gemaakt door Bas Eenhoorn, het communicatiewonder van de VVD. Toen de peilingen tijdens de verkiezingen in 2002 voor zijn partij naar beneden gingen, adviseerde Eenhoorn om voortaan alle standpunten in kleutertaal uit te gaan leggen, in Jip en Janneke taal. Wie de uitdrukking voor het eerst lanceerde, kon niet achterhaald worden maar NS-onderhandelaar Hubert Vankan van de Vereniging van Machinisten en Conducteurs gebruikte ze al een jaar eerder in de media.

01 oktober 2007

Aasgierenfonds.

Veel ontwikkelingslanden kunnen hun oude obligatieleningen bij buitenlandse kredietgevers niet terugbetalen. Die leningen verliezen hierdoor een flink stuk van hun waarde. Heel wat beleggingsfondsen azen op zulke oude schulden.
In de financiële wereld worden ze (sedert ca. 2004) aasgierenfondsen genoemd: ze kopen de leningen op voor een fractie van de oorspronkelijke waarde, om vervolgens het schuldenland via juridische middelen tot terugbetaling te dwingen van het volledige bedrag plus achterstallige interesten.
De Engelse benaming luidt: ‘vulture funds’.

25 september 2007

Horecaffers.

Iemand die in de horeca (hotel, restaurant of café) werkt, wordt wel eens schertsend een ‘horecaffer’ genoemd.
Het woord werd al gesignaleerd door Piet Grijs (Blijf met je fikken van de luizepoten af. 1972). Reinsma geeft in zijn neologismenwoordenboek (1975) voor horeca een citaat uit 1974. Het grootste (historisch) Nederlandse woordenboek, het WNT, geeft echter al een vindplaats uit 1941. Nicoline van der Sijs dateert het woord op 1940. De afkorting horecaf komt echter al in 1921 voor in de archieven van De Groene Amsterdammer. Ook horecaffer werd al opgetekend in 1921.
In de Heldersche Courant van dat jaar lezen we: “Hoe kunnen wij onze actie tegen de Horecaffers zoo scherp en doelmatig mogelijk voeren, zonder in strijd te komen met de wet of verordening?”
Eigenlijk is dit geen scheldwoord (al wordt het door velen zo ervaren, wellicht vanwege het woorddeel kaffer) maar eerder een schertsende of spottende benaming. Het is afgeleid van Horecaf: ‘1 van de 5 Nederlandse Verenigingen die de horecabedrijven privaatrechtelijk vertegenwoordigen’ volgens de Oosthoek Werkencyclopedie.


Een bekend versje uit 1935, ‘Kwijnende cafébedrijven’ van Dorus Clingebos, ging als volgt: ‘Horecaffers, slokjesbazen/ Wénscht ge uw zaak beklant?/ Schenkt dan drank in gróóter glazen/ Vol tot aan den rand!’

20 september 2007

Sabbatsjaar.

Wie eens een jaartje niets wil doen, neemt doorgaans een ‘sabbatical leave’, om nog maar eens wat Engels vakjargon te gebruiken. De term wordt de laatste tijd wel eens vernederlandst tot sabbatsjaar of sabbatsverlof.

Zich een tijdje bezinnen; de boel de boel laten en een tijd lang geen verplichtingen meer aangaan, wie droomt daar niet van? Door velen wordt dit echter nog steeds aanzien als luieren, dolce far niente, leeglopen. Het roomse geloof houdt ons immers voor dat ledigheid (het niets om handen hebben) ‘des duivels oorkussen is’. Afhakers van het druk-druk-drukbestaan proberen (al dan niet betaald) verlof (gezien als loop­baan­onder­breking) te vergoelijken met een vreemd woord.
In 1994 werd in het Nederlandse Baarn de ‘Stichting Sabba­tical Leave’ opgericht door mensen die in Canada kennis maakten met het fenomeen en het vervolgens ook in Nederland wilden introduceren. De term gaat terug op de bijbel (Leviticus 25: 1-7). In de Sinaï verneemt Mozes dat hij zes jaar lang akkers mag inzaaien, wijngaarden mag snoeien en oogsten mag binnenhalen. Het zevende jaar echter dient het land een grote sabbat te houden. Om kracht op te doen en om vruchtbaar te blijven.
Het fenomeen past overigens helemaal in de tijds­geest. In de jaren negentig van vorige eeuw werden immers ook de termen ‘onthaasting’ en ‘quality time’ (kwali­teitsuurtje) gelanceerd.

19 september 2007

Klokkenluiders.

“Vlaams minister van Economie Fientje Moerman (Open VLD) ontkent dat ze het parlement heeft voorgelogen over de ontslagen topambtenaar Rudy Aernoudt.”

Dit stond gisteren te lezen op de VRT-website.

Rudy Aernoudt had het statuut van klokkenluider.
Voor wie het nog niet wist, dit is een ambtenaar die aan de bel trekt over een vermeende misstand in een bedrijf, organisatie of bij de overheid. Hij of zij speelt informatie toe aan de media. Hij haalt vaak misstanden boven water die anders ‘onder de pet’ zouden zijn gebleven.
In het Engels noemt men zo iemand een ‘whistle­blower’. In de ogen van velen gaat het om een klikker.
In 1995 werd in opdracht van de Europese Commissie een rapport opgesteld over de rol van dergelijke klokkenluiders bij het opsporen van fraude. Klokkenluiders zijn personen die gegronde vermoedens van onregelmatigheden in hun eigen organisatie naar buiten brengen. Tevoren moeten ze de zaak intern hebben aangekaart, tenzij ze goede redenen hebben om die stap over te slaan. Een klokkenluider is dus geen ordinair ‘lekkende’ werknemer, al wordt hij door tegenstanders meestal verweten de privacy te hebben geschonden van de personen die hij aanklaagt of waarover hij vertrouwelijke gegevens lekt. Het rapport stelde vast dat de meeste landen, waaronder Nederland, klokkenluiders geen wettelijke bescherming bieden. In 1999 deed D66 een voorstel hiertoe.

15 september 2007

Flexibiliseren.

Mensen op steeds wisselende tijden en langer laten werken (meestal voor hetzelfde loon) noemt men tegenwoordig 'flexibiliseren'. De werknemer of flexikracht moet steeds klaar staan voor de werkgever. Dit zou de productiviteit ten goede komen.
Flexibiliteit is het sleutelwoord van eind twintigste eeuw. Werknemers worden geacht flexibeler te worden. Ze moeten een ‘flexibele instelling’ hebben, d.w.z. sneller en allerter reageren op allerlei ontwikkelingen.

In het jargon worden ze ‘flexwerkers’ of ‘flexers’ genoemd. De werkgever loopt met het aannemen van personeel dat onder deze voorwaarden aan de slag gaat minder risico. De alerte medewerker zal ook beter voorbereid zijn op de afslankingsoperatie die ongetwijfeld zal volgen.
Begrippen zoals flexibaan, flexkracht (- of werker), fleximarkt, flexizorg enz. raakten in zwang in de jaren negentig van vorige eeuw. Wellicht zijn ze ontstaan onder invloed van het Engelse woord flexitime dat (in het Engelse taalgebied) al in 1972 opgetekend werd.

10 september 2007

Einde van het designertijdperk?

In de medische wereld doken eind vorige eeuw de zgn. ‘designer-babies’ op: pasgeborenen waarvan op voorhand o.a. het geslacht kan gekozen worden. Designer staat hier voor: veranderd door genetische manipulatie.

Computerfreaks kennen zgn. ‘designervirussen’: virussen of programma's die voor heel specifieke doeleinden ontworpen werden. Allan Lundell vertelt er alles over in zijn boek >Virus. De grootste bedreiging van onze computersystemen= (1989).

Het designer-etiket kan ook ironisch toegepast worden: op het prijzige mineraalwater van bijvoorbeeld het Franse merk Perrier of op de dure delicatessen en de exotische schotels die opgediend worden voor de eetsnobs. Na de fast food nu ook ‘designer-food’! Als het maar een naam heeft.

Het socialisme deed het eind vorige eeuw ook goed. Zeker in Groot-Brittanië waar Labour al een tijdje zijn blazoen probeerde op te poetsen. Voorheen slaagde de partij er maar niet in het Thatcherisme te vervangen door een modern socialisme. Onder Grote Roerganger Kinnock werd getracht wat te doen aan de beeldvorming. De rol van de extreme linkervleugel werd ingeknot, zeer tot ongenoegen van de radikalinski's. Visuele presentatie en public relations werden de nieuwe toverwoorden. Mediabekwaamheid, daar kwam het op aan.
Het ‘designer-socialisme’ was geboren maar zelfs een flitsende verkiezingscampagne kon Labour niet aan de macht helpen. De partij kon vroeger geen deuk in een pakje boter slaan. Met Tony Blair, de nieuwe leider van de Britse linkse partij, was er voor het eerst sinds tijden weer kans dat Labour aan de macht kon komen. Het mooie pak en de welbespraaktheid van Blair zullen er ongetwijfeld voor iets tussen zitten. Haalde het ‘designer-socialisme’ het dan toch van de conservatieve Torries? Haalde Tony Blair misschien de mosterd vandaan bij de voormalige Spaanse premier, Felipe Gonzalez?
Als leider van de Spaanse socialistische partij (PSOE) wist deze politicus meer dan wie ook hoe hij de media moest bespelen. Hij had het nodige charisma en was wat je noemt een 'grote communicator', een term die in het verleden ook van toepassing was op Ronald Reagan en op Gorbatsjov: meesters in het omgaan met publiciteit. Het Britse en Spaanse designersocialisme had in de ogen van Nieuw (F)links voor een meer dan bevredigend resultaat gezorgd maar de oude garde spaarde haar kritiek niet. Zij bestempelden het als een overwinning van de beeldvorming over de inhoud. Met het terugtreden van Blair is wellicht het einde van het designertijdperk in zicht gekomen.

03 september 2007

Het designertijdperk.

Na de succesvolle, productieve voorvoegsels super, euro en mega volgde de opmars van het prefix designer. Nederlandstalige woordenboeken omschrijven dit woord nog altijd als 'ontwerper, vormgever' maar ook als adjectief komt het de laatste jaren erg frequent voor en daarvan vinden we weinig sporen in de voorradige woordenboeken. Van Dale vermeldt ‘designerdrug’ en ‘designerjeans’ en het Jaarboek 2007 voegt daar nog eens ‘designerbaby’ aan toe. Het Engelse design (ontwerp) is afgeleid van het Latijnse 'designare' (aanduiden, afbeelden) en werd al opgetekend in het midden van de 17de eeuw.

In de jaren zestig van vorige eeuw kreeg het woord echter een nieuwe status. De labels op kleren onthulden de naam van de couturier die voor het ontwerp gezorgd had. Deze labels kregen hetzelfde cachet als de handtekening onder een schilderij. Producten van massafabricage kregen plots het stempel >chic=. Designer was herboren als een beschrijvend woord: designerkleding werd van dan af geassocieerd met speciale, prestigieuze en vooral dure kleding. Je betaalde immers voor de naam. Na de designerjeans (een creatie van miljonaire Gloria Vanderbilt) volgden de designerparfums en de designerhandtassen. Sedert het einde van de jaren zestig kan designer toegepast worden op alles wat naar snobisme ruikt. Het woord belichaamt ook een tijdperk waarin verknochtheid aan consumentisme centraal stond. In het journalees van de jaren tachtig kreeg designer een nieuwe dimensie.

Nederlandse journalisten stoeien graag met modieus taalgebruik, en deze term die je in elke context wel als stoplap kunt gebruiken, beantwoordt duidelijk aan een behoefte. In de pers volgde een vloedgolf van designerjeans, designermuziek, designerdrugs enz.

De >Haagse Post= zette in 1986 de trend in met een melding over 'dealers en designerpunks in Brixton'. Dit woord werd dan wel niet verklaard maar bedoeld werden de nep-punks, de meelopers, in Nederland ook wel bijenkorfpunks genoemd.

Drie jaar later bestempelde >de Volkskrant= het nieuwste muzikale ei van David Bowie (Tin Machine) als designer-rock: muziek bestemd voor een cd-publiek (hetgeen toen nog beschouwd werd als een select en snobistisch publiek), waarbij alles 'bestudeerd' is en er geen zweet merkbaar is.
Met XTC of ecstasy (slangtermen: kippevoer, neukpillen) bereikten ook de designer-drugs onze contreien. Deze synthetische, in laboratoria vervaardigde drugs werden eind jaren zeventig van vorige eeuw voor het eerst gesignaleerd aan de Amerikaanse Westkust. Ze droegen de naam 'China White' of 'new heroin'.
De term zelf werd vele jaren later bedacht door de aan de universiteit van Californië verbonden professor Gary Henderson. Hij onderzocht toen het grote sterftecijfer en de Parkinsonsymptomen onder gebruikers van deze nieuwe drugs. In Europa worden designer-drugs met marketingtechnieken aan de man gebracht. Op de lijsten van verboden middelen komen deze nieuwe stoffen niet voor want met wat chemisch sleutelwerk wordt de illegaliteit mooi omzeild. Designer-drugs hebben echter een groot verslavingsrisico. Zelfs bij kleine dosissen bestaat onmiddellijk levensgevaar.

24 augustus 2007

Schelden in 3-D.

Jo Foulon is meester in de vrije monumentale kunsten, Hogeschool Antwerpen. Hij was laureaat van het Hoger Instituut voor schone kunsten, Postgraduaat beeldende kunst.

In 1997 won hij de Dapsen-Horlait prijs en in 2006 behaalde hij de eerste prijs van de Designwedstrijd Villa Basta, ‘Groen is niet Rood’ in samenwerking met Weekend Knack.

Vrijdag, 31 augustus opent te Leuven een tentoonstelling van deze jonge Tiense kunstenaar. Onder de titel ‘Basjiboezoek, baziboezoek’ zet Jo, in samenwerking met mij, een ‘installatie’ op rond scheldwoorden. Deze installatie zal volgens Jo alleszins verder reiken dan de muren van de galerie. Ontladen, schreeuwen, grenzen geven aan agressie. Regels zijn er niet.

Met zijn nieuwe installatie wil deze gedreven kunstenaar het scheldproces ook visualiseren en bijna letterlijk tastbaar maken. Daarnaast keert Jo terug naar de ‘roots’ van de schuttingtaal, naar plaatsen waar de lieflijke woorden zijn ontstaan. De Leuvense binnenstad is het dankbare decor. U bent allen van harte uitgenodigd.

De opening is vrijdag 31 augustus 2007 om 19 uur in de Vaartstraat 131 (Cypres Galerie).
Tijdens de tentoonstelling is de galerie dagelijks open van 14 tot 18 uur, ook in het week-end. De mogelijkheid bestaat om ter plaatse het 'Groot Scheldwoordenboek' aan te schaffen.

23 augustus 2007

Schelden op z'n Frans.


Ook onze zuiderburen zijn niet vies van af en toe een potje schelden.

Dit jaar verscheen van journalist en auteur Marc Lemonier het pittig gekruidde “Le petit dico des insultes, gros mots et autres injures’ (City Editions, ISBN 978-2-35288-067).

Wie wil weten waar kapitein Haddock de mosterd vandaan haalde, schaft zich best dit vermakelijk en informatief smaldeeltje (212 p.) aan. Een vierhonderdtal scheldwoorden worden hier in hun context geplaatst, vaak met vermelding van geschiedenis en evolutie. Sommige scheldwoorden worden blijkbaar geassocieerd met een bepaald persoon. Veel termen worden ook in ons taalgebied gebruikt: analphabète; Bachi-bouzouk; bimbo; bitch; canaille; débile; idiot; imbécile; macho enz. Al heeft bobo een iets andere betekenis dan bij ons. Racistische scheldwoorden worden overigens niet onder het tapijt geschoven.
Merde alors!

22 augustus 2007

De wijzer op half zes.

Impotentie geeft vaak aanleiding tot allerlei grapjes.
Impotent betekent, zoals we allemaal wel weten: niet in staat de geslachtsdaad te voltrekken; meer specifiek van mannen: geen erectie kunnen krijgen, onvermogen tot ejaculatie.
Deze via het Frans aan het Latijn (impotens: machteloos) ontleende term moet vroeger een eufemisme geweest zijn. Tot in de zestiende eeuw betekende het woord ‘invalide; door lichaams­gebreken niet in staat om zijn beroep uit te oefenen’ en meer in het algemeen ‘machteloos’.
In het Antwerps Liedboek (1544) vinden we die oude betekenis nog terug: ‘Ey out grisaert, ... Het was mi van te voren gheseyt Dat ghi waert van slutsaerts bende (dat gij een zwak, impotent man waart).’

Wanneer precies het woord zijn huidige betekenis gekregen heeft, is niet geweten. Het begrip ‘impotentie’ raakte echter vooral populair in de jaren zestig van vorige eeuw, o.a. dankzij de studies van het Amerikaanse echtpaar Masters en Johnson. Tevoren was het vooral gangbaar in medische en wetenschappelijke kringen.
Tegenwoordig wordt ‘impotent’ niet echt meer als eufemisme aangevoeld. In de volkstaal bestaan er talrijke kleurrijke benamingen voor impotentie. De Geïllustreerde Encyclopedie van de Seksualiteit (1977-1980)
vermeld volgende uitdrukkingen (waarvan sommige nooit eerder geregistreerd werden): ‘antiek hangertje; er niet op kunnen komen; Friese staartklok; de kaas is op; keienkijker; maatje pink; slapjanus; slappe was voor de deur; zandruiter’. De meeste van deze uitdrukkingen hebben een Bargoense oorsprong maar zijn wellicht verhullend genoeg om ook als eufemisme dienst te doen. In de zestiende eeuw noemde men een impotent persoon (iemand die de bijslaap niet kon voltrekken) ‘verkoud van nature’. In de achttiende eeuw was zo’n man ‘uitverkocht’. In Vlaanderen zei men vorige eeuw nog schertsend van iemand die geen erectie kon krijgen: ‘zijn wijzer staat op half zes’.

18 augustus 2007

Allengaande.

Kranten en tijdschriften hebben het tegenwoordig vaak over een 'alleengaande' wanneer ze een vrijgezel of ongehuwd persoon bedoelen.
Vrijgezel is een wat stoffig woord. Bovendien slaat het enkel op mannen. Alleenstaande moest in de tweede helft van de twintigste eeuw ‘vrijgezel’ en ‘ongehuwde’ vervangen. Wellicht vond men deze termen toen te stigmatiserend. Toch werd alleenstaande niet altijd gebruikt in de zin van ‘ongehuwd persoon’ of ‘iemand die er alleen voor staat’. Vóór 1950 las je enkel over ‘alleenstaande bomen, huizen of meubels’.
De nieuwe betekenis (m.b.t. personen) werd dan ook pas in 1950 in Van Dale vermeld. Aanvankelijk dook alleen­staande vooral op in overheidsstukken.
In 1956 publiceerde een zekere W.C. Blomberg bijvoorbeeld het rapport ‘Woontoestand en woonwensen van 3.009 alleenstaande vrouwen in Amsterdam’.

Tegenwoordig wordt ook alleenstaande als stigmatiserend ervaren. Het woord straalt volgens sommigen zieligheid uit. Het wordt geassocieerd met eenzaam en verlaten. Alleengaande klinkt momenteel veel positiever en dynamischer. De betrokkene is dan wel alleen maar hij heeft het helemaal naar zijn zin.
Dit eufemisme werd voor het eerst gesignaleerd in 1984 en lijkt eveneens een voedingsbodem te hebben in ambtelijke kringen. Het dook vermoedelijk voor het eerst op in de titel van het rapport ‘De positie van oudere werkloze ‘alleengaande' Turken en Marokkanen’. Na de alleengaande Turken en Marokkanen kwamen de alleengaande autochtonen. Daarmee was de opmars van de alleengaande begonnen.
Nog vlotter en moderner is uiteraard de 'single'.

11 augustus 2007

Boem is ho en plons is zwemmen.

Deze grappige uitdrukking wordt in Nederland vaak schertsend gebruikt bij een lichte aanrijding tussen twee voertuigen. Ze wordt ook in de mond genomen wanneer een botsing haast onvermijdelijk is. In 1996 lazen we in het Parool: “Zo heb ik mijn eerste gesponsorde auto de vernieling in gereden. Ik miste bij Aalsmeer een flauwe bocht en vloog de dijk af. Boem was ho en de auto was total loss.”

We vinden dit gezegde al terug in de 12e druk van de dikke Van Dale.

'Boem boem is ho' was tevens de titel van een liedje (uit 1966) van Ronnie en de Ronnies (in een productie van Peter Koelewijn). Vermoedelijk werd de uitdrukking door Koelewijn bedacht. Er bestaan blijkbaar wat varianten, zoals: ‘boem is ho en plas is water.’

03 augustus 2007

Duizend bommen en granaten.

De uitroep ‘duizend bommen en granaten’ kennen wij vooral als krachtterm van kapitein Haddock uit de populaire stripverhalen van Kuifje.
Toch is Hergé niet de geestelijke vader van deze tegenwoordig erg populaire uitdrukking. Ze komt al voor in het boek ‘Uit het leven van Dik Trom’ van C. Joh. Kievit en dat boek dateert van 1899.

Het telwoord 'duizend' was in vroeger eeuwen erg geliefd in allerlei vloeken: ‘gans duisendt duickers; gans duizend schanden; duizend pepernoot; gans duizend suikers’. Destijds had 'duizend' de betekenis van 'heel veel; talloos'. Soms kon het echter ook om een verbastering van 'duivel' gaan.
Een vergelijkbare uitdrukking (thans verouderd) is: ‘duizend kanonnen.’

24 juli 2007

Krotenkokers.

In Rotterdam noemen ze een sufferd of een merkwaardig figuur wel eens een ‘krotenkoker’.
Het woord is populair geworden dankzij de Bommelstrips van Marten Toonder.
Krote zou hier een eufemisme voor klote kunnen zijn. Eerder lijkt het een verbastering van het Franse woord ‘carotte’.

Rotterdammers kennen ook de uitdrukking ‘in de kroten zijn' voor: dronken zijn. Het koken van kroten of bietjes was ooit in de Maasstad een veelvoorkomend beroep. Gekookte kroten worden nog steeds gegeten.
Het scheldwoord kreeg landelijke bekendheid dankzij een televisieadvertentie voor chipsfabrikant Smith’s: ‘die krotenkokers van Smith’. Ook Rotterdammer Jules Deelder droeg zijn steentje bij in een commercial voor de ‘lekkere lichte borrel’ Lechner: die krotenkokers van de reclame.

Een variant van ‘krotenkoker’ is ‘krotenzaaier’. Een zoektocht op internet wijst uit dat het woord vaak voorkomt als naam van een boerenblaaskapel.

20 juli 2007

Kalegezichten.

Je telt pas mee als je een baard hebt. Ik kan hier uiteraard over meepraten, maar het blijkt ook uit uitdrukkingen zoals ‘lig niet te kalegezichten’.
In Nederland is (was) dit een gangbare uitdrukking voor: zit niet te zaniken, te zeuren of te donderjagen. Ze werd o.a. opgetekend in de Zaanstreek (in het werk van Boekenoogen) en in de Utrechtse Vechtstreek. Kalegezichten is dus datgene wat iemand doet die nog geen baard heeft (een melkmuil met andere woorden): onzin uitkramen.

19 juli 2007

Absurdistan.


Een land of plaats waar zich rare of onbegrijpelijke toestanden voordoen, waar men het niet zo nauw neemt met de regels, wordt wel eens spottend Absurdistan genoemd. Die benaming wordt ook gebruikt om een absurde toestand mee aan te duiden.
Een lezer van Onze Taal die in 1992 een kantoor in Praag opstartte, liet mij weten dat zijn secretaresse, die goed Duits sprak, regelmatig de term Absurdistan gebruikte. Bijvoorbeeld: Leben wir doch in Absurdistan? Of wanneer er geen toiletpapier te verkrijgen was. Of: die Firma wohnt in Absurdistan. Nog volgens deze briefschrijver verscheen in de dagelijkse Tsjechische krant van zijn secretaresse een politiek-sociale cartoon met dezelfde naam, die later ook in het Engels vertaald verscheen in het lokale Engelse weekblaadje. De teneur zou meestal anti Oosten-van-Tsjechoslowakije geweest zijn.


Tot aan het einde van de jaren vijftig van vorige eeuw schreef de vader van columnist Max Pam niet-ondertekende stukjes voor het blad De Uitkijk. Die stukjes werden gepubliceerd onder het kopje "Berichten uit Absurdistan".
In de jaren zeventig gebruikte Gerrit Komrij de term meermaals wanneer hij Nederland wou omschrijven als een land waar de ezels aan de macht zijn.

Er zijn echter overeenkomsten in andere talen. In 1946 verschenen in Frankrijk twee satirische boeken: "Voyage en Absurdie" (1946) en "Vie de Jocrisse Morèze [d.w.z. Maurice Thorez] (...) d'après des documents ramenés par (...) de son voyage en Absurdie" (1947), door Benjamin Guittoneau, geschreven onder de schuilnaam Arouet (familienaam van Voltaire).
Absurdie en Absurdistan zijn in feite hetzelfde woord, daar het suffix -ie hetzelfde betekent als -istan, het Perzisch morfeem voor -land. Het Engels kent eveneens een Absurdia, dat aansluit bij dat Franse Absurdie uit 1946. Ook de Italiaanse vorm Assurdistan komt voor. Het Nederlands kent vele fictieve plaatsnamen. Denken we maar aan Boerenstronkeradeel; Lutjebroek; Verweggistan enz.

11 juli 2007

Snoezelstal.

In mijn geboortedorp staat sinds kort een snoezelstal. Dat is een stal waar mensen met een mentale handicap terecht kunnen om er dieren te verzorgen. Vier studenten uit de Orthopedie en de afdeling Dierenzorg van de tuinbouwscholen schilderden er voor hun stagewerk dierentekeningen op de muren van de stal. De combinatie van dieren, muziek, kleuren en geuren kan een grote prikkel zijn voor mensen met een mentale handicap.
De naam ‘snoezelstal’ is een samentrekking van de woorden ‘snuffelen’ en ‘doezelen’. ‘Snoezelen’ betekent dan: het met therapeutische bedoeling op aangename wijze prikkelen van de zintuigen. Dit woord wordt sinds eind jaren zeventig gebruikt, doorgaans m.b.t. zwakzinnigen. Een snoezelruimte is een speciale ruimte waarin kinderen zich kunnen uitleven in een aangename omgeving die tegelijkertijd prikkelend en rustgevend is; ruimte waar men kan ‘snoezelen’. Het woord ‘snoezelruimte’ dook pas eind jaren tachtig van vorige eeuw op in de media. Dit woord werd reeds opgenomen in Verschueren (1996) en Van Dale.

02 juli 2007

Dood vogeltje.

Zondagmorgen werd ik wakker met een ‘houten kop’, het resultaat van een stevig drinkgelag de avond ervoor. Vlamingen gebruiken deze uitdrukking wel eens voor een fikse kater. Onlangs ontdekte ik dat Nederlanders ontwaken met ‘de smaak van een dood vogeltje in de mond’. Het dood vogeltje kan soms ook een dood katje zijn. Rare jongens die Nederlanders!

De beeldspraak verwijst naar de slechte smaak die je in de mond krijgt, te wijten aan overmatig drankgebruik. ‘Alsof een dood vogeltje over je tong heeft gepiest’, dat zegt men ook wel eens. Er zit vaak veel humor in de volkstaal.

Ook de Britten kennen er wat van. Drankorgels en pimpelneuzen voelen zich soms alsof ‘een kat in hun mond heeft gejongd’ (to feel as if a cat has kittened in one’s mouth). Die uitdrukking stamt naar het schijnt al uit de late 19de eeuw. Er bestaan talrijke varianten: to feel like death warmed up (like a warmed-up corpse, death on a bun/ cracker; to feel like a fresh-boiled owl (like a stewed monkey).

In ons taalgebied is ‘de smaak in z’n mond van een dood katje’ wellicht ouder dan de variant met het vogeltje. De vergelijking met het katje werd al opgetekend in 1934, die met het vogeltje vinden we terug in de jaren zestig van vorige eeuw, maar mogelijk is de frase veel ouder. Het WNT, het grootste Nederlandse woordenboek, kent beide uitdrukkingen echter niet. De spreekwoordenboeken en Van Dale doen er eveneens het zwijgen toe.

Wie ergens als een dood vogeltje bijzit, verkeert echter in een totaal ontredderde situatie, is volkomen hulpeloos. In 1991 lazen we in NRC Handelsblad:
“Zwaar getekend, bevangen door de kou, rolde de Italiaan over de eindstreep in Bormio. Terwijl verzorgers zijn rillende lichaam warm wreven en in een deken wikkelden, stond Chioccioli erbij als een dood vogeltje.”

27 juni 2007

Wielertaal.

Beste lezers,

Op mijn webstek vind je nu ook de eerste twee letters uit mijn Wielerwoordenboek. Dit verscheen in 1989 bij Thomas Rap bv. In de handel is het boek jammer genoeg niet meer verkrijgbaar. Het is de bedoeling dit werk up to date te maken (al dan niet op deze webstek) met nieuwe termen en uitdrukkingen. Suggesties zijn uiteraard meer dan welkom. Neem dus ook eens een kijkje op:
http://marcmjdecoster.googlepages.com/home

26 juni 2007

Hermelijnvlooien.

Prins Bernard had destijds een gloeiende hekel aan de ja-knikkers en pluimstrijkers in zijn omgeving. Ook dochter Beatrix en kleinzoon Willem-Alexander hebben weinig behoefte aan een openlijke confrontatie met perslui.
Die ‘knipmessen’ willen hen immers alleen maar spreken vanwege hun functie. Daar ontlenen ze hun status aan.

‘Hermelijnvlooien’ worden ze al decennia door de Oranje’s genoemd. Het koninklijke gevolg zag de pers steeds liever op majesteitelijke afstand. Wijlen koningin Wilhelmina moet er mee begonnen zijn. Zij verfoeide de slaafse en kruiperige verering, die naar de mentaliteit van het vroegere byzantijnse hof, byzantinisme wordt genoemd. Dit woord gebruikte Wilhemina echter zelden of nooit. Ze had het wel over ‘hofdolheid’ en ‘hermelijnkoorts’. De hermelijn is een roofdier en wie ‘hermelijn’ draagt (het bont van dit beest uiteraard) kan met recht koning of koningin worden genoemd. ‘Hermelijnkoorts’ en ‘hermelijnvlooien’ staan jammer genoeg nog niet in Van Dale. Bij deze verdienen ze het te worden opgenomen in het woordenboek.

23 juni 2007

Vuile absjaar!

Onlangs vroeg men mij tijdens een radio-interview of ik het woord ‘absjaar’ kende.
Schaamtevol moest ik bekennen dat ik dit woord nooit eerder had gehoord.
‘Absjaar’ of ‘nabsjaar’ was Antwerps, zo verzekerde de presentator mij, voor een onbetrouwbaar persoon, een rare snuiter of een vrek.
Het woord staat niet in mijn pas verschenen Groot Scheldwoordenboek. Dat bevat weliswaar 2.500 schimpwoorden, wat misschien veel lijkt maar eigenlijk bestaan er meer dan tienduizend! Meestal gaat het om varianten op oudere en dus aan slijtage onderhevige scheldwoorden.
Een paar jaar geleden verscheen er een Limburgs scheldwoordenboek met maar liefst 5.400 termen, enkel voor deze regio. Het is dan ook onbegonnen werk om een complete verzameling van schimpwoorden uit Vlaanderen en Nederland in papieren vorm uit te brengen, zeker wanneer een dergelijk boek ook nog vindplaatsen moet bevatten die het scheldwoord in een begrijpelijke context plaatsen.
Zo’n boek zou met al die streekwoorden onvoorstelbaar dik en bijgevolg onverkoopbaar worden.

Maar ik vergiste mij dus. ‘Absjaar’ staat wel degelijk in mijn boek, zij het in een andere schrijfwijze en onder een ander lemma. Onder de ingang ‘hapsnurker’ staat een verwijzing naar ‘hapschaar’, een schimpnaam die ik als totaal verouderd beschouwde en dus geen eigen lemma gunde.
Hapschaar is weliwaar archaïsch en heeft meerdere betekenissen: durfal; waaghals; inhalige vent; vrek; rare vent; vreemde snuiter. Oorspronkelijk werd er ‘een gerechtsdienaar, een diender of dievenvanger’ mee bedoeld. In die betekenis vinden we het woord al terug in het werk van Erasmus. Het werd ook opgetekend bij Bij Pieter Langendijk (Het wederzyds huwelyksbedrog. 1714).
Theun de Vries gebruikte het woord in één van zijn historische romans zelfs in de betekenis van ‘zwervende soldaat’. We hebben hier te maken met verhaspeld Frans: ‘happe-chair’. Wellicht van het werkwoord ‘happer’ (vangen, snappen) en het zelfstandig naamwoord ‘chair’ (vlees). De ‘hapschaar, hapscheer’ of ‘hapscheerder’ stond blijkbaar erg laag op de maatschappelijke ladder. Hierdoor kreeg het woord allerlei negatieve connotaties. De betekenis van ‘vrek’ werd o.a. in Maaseik opgetekend. In Deventer werd het gebruikt voor een vrouw met een grote mond en in de Zaanstreek verstond men er een ‘rare snuiter’ onder. Tegenwoordig wordt het nog enkel gewestelijk gebruikt. Uit de mond van kapitein Haddock (uit Kuifje) tekenden we wel meer oude scheldwoorden op. “Kom hier, als je durft, hapschaar en ik verander je in een beddenkleedje!”

Een verbastering van hapschaar is hapsnurker. En in Antwerpen gebruikt men blijkbaar de varianten ‘absjaar’ of ‘nabsjaar’ voor een onbetrouwbaar persoon, een rare snuiter of een vrek. Op internetforums is het woord zo te zien erg populair. Die absjaar van de radio had me dus mooi in de boot genomen.

16 juni 2007

Groot Scheldwoordenboek.


Eindelijk! Het lange wachten wordt dan toch beloond. Op 20 juni verschijnt bij Standaard Uitgeverij het “Groot Scheldwoordenboek. Van apenkont tot zweefteef.”

ISBN 978.90.02.22286.3. Ongeveer 500 pagina’s. Prijs: 19,95 euro.

Dit woordenboek bevat ongeveer 2.500 schimpwoorden: een kleine selectie uit een gigantisch aanbod. De grote meerderheid wordt gevormd door de meest courante en dus bekendste scheldwoorden uit Noord en Zuid. Bij ieder lemma vind je uitleg, etymologie, eventueel een anekdote of historische achtergrond, vergelijkingen met scheldwoorden uit andere talen en vooral heel veel citaten (uit kranten, tijdschriften, literatuur, strips, liedjes, televisieprogramma’s, internetpagina’s).

Uitgangsgedachte was een bepaald taalgebruik te registreren zonder enige vorm van censuur toe te passen: de mens in al zijn lelijkheid. Het leert ons iets over de broosheid van het harmoniemodel.

11 juni 2007

Krakers.

Het zelfstandig naamwoord kraker heeft meerdere betekenissen. Het is naast de benaming voor iemand die een huis kraakt ook nog een populaire term voor een chiropracticus (eigenlijk een verkorting van het woord bottenkraker). Tevens wordt het in de computerwereld gebruikt voor wat men in het Engels een hacker noemt: iemand die inbreekt in een computerbestand.

Krakers zijn de ridders van de computerwereld, kopte De Morgen ooit.
Van Dale omschrijft kraken hier als het ‘onbevoegd gebruik maken van de in een computersysteem opgeslagen gegevens of die gegevens stelen’.
Volgens Vrij Nederland zou deze vorm van kraken nooit zo’n vlucht genomen hebben als de programma’s voor computers niet zo duur zouden zijn.

Het woord kraker is eveneens een informele term voor een populair toneelstuk, muziekwerkje of gewoon een succesrijk grapje. Deze betekenis dateert van begin jaren zestig van vorige eeuw. Vooral tiener- en muziekbladen waren dol op dit woord.
Echte krakers in de hitparade maken ze niet meer, de dames Dolly Dots, lazen we in 1987 in het jongerenblad Club. Verder is een krakertje een Bargoens woord (reeds vermeld door Bargoensverzamelaar Köster Henke) voor een ‘slok’ of ‘borrel’.

Met het woord kraak worden overigens allerlei samenstellingen gevormd. We hadden het al over een kraakpand en een kraakwacht, maar in de Haagse Post kwamen we in 1986 ook een kraakpot tegen: een slangterm voor een lesbische kraakster. Volgens het tijdschrift zijn deze dames herkenbaar aan hun kapsels, die soms krachtig met de tondeuse bewerkt zijn.

06 juni 2007

Kraakwacht.

We keren even terug naar waar het ons oorspronkelijk om te doen was: de ramkraak. Het tweede lid hiervan, nl. kraak is eigenlijk een Bargoense term voor een ‘inbraak’. We treffen het vooral aan in de verkleinvorm en in de verbinding een kraakje zetten. Bij Köster Henke (De Boeventaal. 1906) vinden we deze uitdrukking reeds, naast het werkwoord kraken. Henke geeft als voorbeelden: bij dag luimen ze, bij nacht kraken ze en Twee vrijers waren bezig met een kraak. Sedert het einde van de jaren zestig werden kraken en een kraak zetten clichés, geliefd bij makers van krantenkoppen.
Journalisten fleuren nu eenmaal graag hun schrijfstijl op met het taalgebruik van de penoze (de onderwereld) om te laten merken dat ze op de hoogte zijn.

Begin jaren zeventig van vorige eeuw kreeg kraken, met de toenemende woningnood in Nederland de betekenis van ‘een leegstaand pand betrekken zonder toestemming van de eigenaar’. Volgens Riemer Reinsma (Signalement van nieuwe woorden. 1975) komt dit verschijnsel voor sedert 1969 maar het juiste geboortejaar is wellicht 1965. Toen werd voor het eerst een pand betrokken in de Generaal Vetterstraat te Amsterdam zonder voorafgaande vergunning van de eigenaar. Het was een protest tegen de woningnood die in Nederland sinds het einde van de tweede wereldoorlog heerste. Het verkrijgen van een woning werd toen aan vergunningen gebonden. Per gezin werd bepaald op hoeveel woonruimte men recht had. Wat echter vooral verontwaardiging wekte, was het feit dat vele huizen lange tijd onbewoond stonden. Het ging dan meestal om dure panden die voor Jan met de Pet onbetaalbaar waren. De kraakbeweging verzette zich daarom heftig tegen het woningbouwbeleid van de opeenvolgende regeringen, die telkens weer beloofden om de zaak aan te pakken. De beweging groeide in het verzet tegen de kaalslag, de metro-aanleg en de cityvorming op de Amsterdamse Nieuwmarkt. In 1975 werd de strijd beslecht in het voordeel van de autoriteiten. De krakers moesten het toen afleggen tegen wapenstok en traangas. Het kraken van woningen gebeurt steeds heimelijk en op zulk een wijze dat er naderhand niet van een strafbaar feit (vernielingen) kan gesproken worden. Bij uitbreiding verstaat men onder kraken ook ‘het zich toe-eigenen van eender welk onroerend goed (een zwembad bijvoorbeeld).

Eigenaars van leegstaande huizen hebben altijd geprobeerd het kraken van hun woning te voorkomen. Hiertoe werden begin jaren tachtig van vorige eeuw de zgn. kraakwachten in het leven geroepen: mensen die tijdelijk met toestemming van de eigenaar gratis of tegen geringe vergoeding een huis mogen bewonen om zo te voorkomen dat het gekraakt wordt. De kraakwachten hebben vanzelfsprekend weinig rechten. Ook mogen ze op weinig bijval van de pers en de goegemeente rekenen.
In 1991 stond in Trouw een artikel over een Rotterdams raadslid dat diende af te treden na publiciteit over het feit dat hij samen met zijn vrouw, als kraakwacht (her en der lezen we ook de term antikraakwacht), gratis een kapitale villa mocht bewonen.
Kraakwacht werd al opgenomen in de twaalfde druk van de grote Van Dale, maar niet het hiervan afgeleidde werkwoord antikraakwonen. Een gebouw dat door het kraken werd in beslag genomen, noemt men een kraakpand.

01 juni 2007

Rammen.

Van ram werd ook het werkwoord rammen afgeleid.
In het begin van de twintigste eeuw komt het al voor in de betekenis van ‘vechten; in elkaar slaan’. W. L. H. Köster Henke maakt er melding van in ‘De Boeventaal. Zakwoordenboekje van het Bargoensch of de taal van de jongens van de vlakte’(uit 1906). Hij geeft als voorbeeld: Als jullie ‘rammen’ willen, gaat dan op de vlakte (de straat)! Sedert begin jaren tachtig van vorige eeuw kennen we ook het zgn. potenrammen: het aftuigen van homoseksuelen (meestal door skinheads of extreemrechten). In Engeland noemt men dit fenomeen queer-bashing. Amerikanen houden het bij fag-busting, terwijl Duitsers de uitdrukking Schwule ticken gehen gebruiken.

Feministentijdschrift Opzij wijdde er in het decembernummer van 1998 een artikel aan. Seksueel geweld, potenrammen, terreur, een toenemend aantal jongens deinst er niet voor terug.
Wie zich schuldig maakt aan het potenrammen of homootje rossen wordt een potenrammer genoemd. Gerrit Komrij in ‘Averechts’ (1980): Hij en z’n vrienden, vertelde hij, hadden zich bij de Amsterdamse gemeenteraad beklaagd over de ‘potenrammers’.

Rammen heeft nog andere gewelddadige connotaties. Sedert de jaren zestig van vorige eeuw wordt het werkwoord ook gebezigd in de zin van ‘copuleren’, vooral dan gezien vanuit het standpunt van de man. Schrijvers zoals Jan Cremer en Heere Heeresma hebben het woord meermaals in deze betekenis gebruikt.
Ook in het Engelse slang bestaat er een werkwoord to ram. De term impliceert dierlijke kracht en brute assertiviteit. Kiliaen vermeldt het woord reeds in deze zin in zijn ‘Etymologicum teutonicae linguae’ (16de eeuw) maar beschouwt het als verouderd. Hij denkt aan het bespringen op de wijze der bokken.

Van rammen werd ook het zelfstandig naamwoord rammerd afgeleid, in het Bargoens een aanduiding van een geil vrouwspersoon.
Misschien heeft dit te maken met het ‘tochtig zijn (van schapen)’, hetgeen men eveneens rammen noemt (WNT XII). De Amsterdamse penozefiguur Haring Arie kende dit woord blijkbaar goed want het komt meermaals voor in zijn boeken. Uit ‘Een leven aan de Amsterdamse zelfkant’ (1968): Wat trok zo’n ouwe rammert dan een porum.

Het werkwoord rammen heeft tenslotte nog een paar andere betekenissen die (nog) niet in de woordenboeken vermeld staan. In de jeugdtaal van de jaren tachtig kan rammen ook ‘eten’ beduiden, bijvoorbeeld een patatje rammen. In het wielerjargon gebruikt men het woord wel eens voor ‘keihard (op kop) blijven rijden’ en voor voetballers is het een synoniem voor ‘iemand hard tackelen’. En om dit ramhoofdstuk af te sluiten: computerfreaks noemen hun toetsenbord vaak smalend hun ramplank.

26 mei 2007

Ram.

Met ram, het eerste deel van ramkraak (zie vorig stukje), wordt niet het mannelijk schaap bedoeld maar wel het belegeringswerktuig waarmee men vroeger de muren van een burcht probeerde in te beuken: de stormram.
Wellicht werd hierbij gedacht aan de stotende bewegingen van een ram. Het Latijnse aries zal dan ook als voorbeeld gediend hebben.

In de voetballerij is de stormram nog steeds een aanduiding voor een aanvaller die door de verdediging van de tegenpartij breekt en meestal ook doelpunten maakt. In 1993 werden Van Kooten (destijds trainer van de amateurclub AGOVV) en Jansen (toen trainer bij de Belgische amateurclub Hemiksem) de laatste authentieke vertegenwoordigers van het type stormram genoemd.

Ram heeft overigens nog andere betekenissen. In het begin van de achttiende eeuw kende men het woord ook in de slangbetekenis van ‘hoerenloper’, waarbij dan weer gedacht wordt aan het mannetjesdier. In die zin vinden we het opgetekend in het ‘Woordenboek der Nederduitsche en Fransche taalen’ (1710) van F. Halma. Van recentere datum is de betekenis van ‘mannelijk lid’, waarbij terug moet gedacht worden aan de stormram. Ram wordt ook -zij het minder frequent- gebruikt als aanduiding van een vrouwenborst, maar dit is wellicht een nevenvorm van het slangwoord pram (bijna altijd in het meervoud en historisch waarschijnlijk verwant met pramen: knellen).

Ram of rem is eveneens een oude Bargoense term voor een klap of een opduvel. In die zin is het ondertussen ook populair in de hedendaagse jeugdtaal. In het boek ‘Laten zien dat we beesten zijn. Gesprekken met jongeren over geweld.’ (1985) van Peter Gielissen en Pieter Vonk lezen we: Zijn ouders zijn rustige mensen. Hij krijgt hoogstens eens in de maand een paar rammen.

In wielerterminologie heeft ram de betekenis van een (tijdelijke) inzinking. Vermoedelijk wordt ook hier geassocieerd met de stormram en kan men ram figuurlijk opvatten als klap of stoot. Pensec heeft zo’n ram gekregen dat hij de gele trui is verloren, stond er ooit in de Nieuwe Revu.

22 mei 2007

Ramkraak.

Overvallers gaan met de dag steeds driester te werk.

In het laatste decennium van de twintigste eeuw ontstond een nieuwe rage, het zgn. ramkraken: met een (meestal) gestolen wagen de toegangsdeur of het uitstalraam van een handelszaak rammen om er vervolgens bliksemsnel met de buit van door te gaan. Alarminstallaties zijn vaak nutteloos want zo’n ramkraak gebeurt razendsnel, het kan allemaal in luttele seconden! De inbrekers gebruiken dan de ‘responstijd’, de tijd tussen het afgaan van het alarm en de komst van de politie. Winkels waar geen rolluiken aan de gevel zijn aangebracht, hebben meer kans om bezoek te krijgen van een ramkraker. Dergelijke diefstallen zijn het werk van professionele misdadigers. Zondagsgangsters of amateurs gebruiken meestal de voorzijde van de wagen om een etalage te rammen. Daarbij verliezen ze uit het oog dat het risico van beschadiging van vitale motoronderdelen, zoals het koelsysteem, erg groot is.

In de Nederlandse pers dook naast het woord ramkraak ook het gelijkaardige snelkraak op. Dit laatste betekent eigenlijk hetzelfde, al kan het woord ook veel ruimer opgevat worden. Een ‘etalagekraker’ kan immers ook met een steen een winkelruit ingooien, hij hoeft niet noodzakelijk een wagen te gebruiken. Zulk een etalagediefstal duidt men in het Engels aan met de informele term smash-and-grab-raid.

Ramkraak en snelkraak hebben de meeste woordenboeken nog niet gehaald. Waar komen deze begrippen vandaan?

Ramkraak lijkt mijns inziens wel een blauwdruk te zijn van de Engelse slangterm ram-raiding, eveneens van eind vorige eeuw. Mijn ‘Oxford Dictionary of Modern Slang’ (1992) geeft als omschrijving: the perpetration of a smash-and-grab raid in which access to the goods is obtained by ramming a vehicle into the shopfront.
Als vroegste vindplaats vermeldt dit woordenboek The Daily Telegraph van 1991.
Ook bestaat er in het Engels de afleiding ram-raider voor iemand die zich schuldig maakt aan zo’n misdrijf. Hebben alerte Nederlandse journalisten het woord ramkraak ontleend aan hun Britse collega’s?
Er is beslist meer aan de hand. Het begrip waarmee onze woordenschat werd verrijkt, is samengesteld uit oud en bekend materiaal. Elk deel van dit samengesteld woord komt voor in allerlei verbindingen. Volgende keer meer!


21 mei 2007

Opsinjoren.

Het leefklimaat van een straat in positieve zin veranderen, noemt men met een mooi woord ‘opzoomeren’.
Het verwijst naar de Rotterdamse Opzoomerstraat, waar in 1994 een dergelijke actie werd uitgevoerd door de buurtbewoners.
In Antwerpen spreekt men al een tijdje over ‘opsinjoren’. Het past helemaal in het beeld dat Steve Stevaert schetste over de ‘verzuring’ van de maatschappij en de middelen die moeten gezocht worden om daar iets tegen te doen: een propere omgeving met veel bloemen en planten, keuvelende buren en spelende kinderen. Er worden zelfs wijkcoördinators voor aangesteld.

19 mei 2007

Scorebordjournalistiek.

De laatste jaren valt tijdens voetbalwedstrijden met regelmaat de term scorebordjournalistiek. Daarmee wordt bedoeld dat alleen het resultaat wordt beoordeeld en niet de speelwijze. De wedstrijd wordt als het ware geanalyseerd op basis van het scorebord. Het woord wordt vaak toegeschreven aan AZ-trainer Co Adriaanse (o.a. in het Groot Voetbalwoordenboek van de Nederlandse Taal, verschenen in 2006). Hij zou dit neologisme voor het eerst gebruikt hebben na de wedstrijd Roda JC-AZ in 2003. Maar was het woord toen zo nieuw?

In het Engels werd de term ‘scoreboard journalism’ al opgetekend in 1996. Google levert meer dan duizend hits. Wie weet meer?

15 mei 2007

Luchtgitaar.

Er zijn taalkundigen die dit een belachelijk woord vinden. Toen het midden jaren negentig van vorige eeuw in de pers opdook, dachten velen dat we hier te maken hadden met een ééndagsvlieg.

Inmiddels heeft de term de laatste editie van de dikke Van Dale gehaald en ook in gerenommeerde Engelse woordenboeken duikt dit van oorsprong Engelse begrip (air guitar) op.

Het eerste Engelstalige woordenboek waarin ik dit woord tegenkwam was ‘Neo-words. A dictionary of the newest and most unusual words of our times’ (uit 1991) van David K. Barnhart. Volgens de samensteller van dit boek werd het woord (in het Engels) gelanceerd in 1982.

Een luchtgitaar, voor wie het nog niet mocht weten, is een denkbeeldige gitaar die bespeeld wordt door het nabootsen van de lichaamsbewegingen van een rockmuzikant. De beoefenaar is vaak een enthousiast beluisteraar van opgenomen muziek. Hij of zij ‘doet zijn (haar) ding’ in de huiskamer of op het podium. Alleen mist hij of zij het applaus dat de echte muzikant krijgt.

Blikken handdruk.

Uit de jaren zestig van de twintigste eeuw dateert de uitdrukking ‘gouden handdruk’. Daarmee wordt een geldsom bedoeld die een werkgever uitkeert aan een (meestal hoge) functionaris als vorm van schadevergoeding bij ontslag. Het gaat hier om een ontlening aan het Engels (golden handshake).

In de taal van Shakespeare gebruikt men overigens gelijkaardige verbindingen. Een ‘golden hello’ betekent een ‘lok- of wegkooppremie’ terwijl ‘golden handcuffs’ slaan op een behoudpremie. Nieuw is de ‘tin handshake’ of ‘blikken handdruk’: de (veel minder royale) vergoeding waarmee een gewone werknemer het moet doen bij ontslag. In het Algemeen Dagblad las ik niet zo lang geleden het volgende:

Gewone werknemers die gedwongen ontslagen worden moeten het, in tegenstelling tot de falende top van het bedrijfsleven, doen met een 'blikken' handddruk van gemiddeld 26.000 euro.

09 mei 2007

Populisten en Hadjememaars.

Met een ‘Hadjememaar’ bedoelen we een populistisch politicus die inspeelt op de onderbuikgevoelens van het volk; een demagoog. Oorspronkelijk was het de bijnaam van de Amsterdammer Cornelis de Gelder, een liedjeszanger op het Rembrandtplein, die in de jaren twintig van vorige eeuw zich als leider van de Rapaljepartij kandidaat had gesteld voor de gemeenteraad. Punt één van Hadjememaar luidde: ‘Jajem voor vijf cent.’ Daarmee bepleitte hij een dagelijkse gratis gemeenteborrel.

In 1991 spiegelde Vladimir Zjirinovski in Rusland de kiezers gratis wodka en de herovering van Finland voor.
En in 2001 stond in het tijdschrift Elsevier: ‘Een journalist van het ‘Radio 1 Journaal’ bejegende op 28 oktober de andere kandidaat-lijsttrekkers op de partijbijeenkomst van Leefbaar Nederland laatdunkend, als waren ze ‘losers’ en ‘Hadjememaars’.

Komen we bij de term ‘populist’, tegenwoordig een scheldwoord in politieke kringen.
Een populist is een charismatisch leider die overheidsbureaucratie verafschuwt en die streeft naar een sterke band tussen een leider en het volk; een oppervlakkig politicus of demagoog. Eigenlijk: iemand die rekening houdt met de verlangens van de populus, het volk.
Voor de meeste opinieleiders staat populisme gelijk aan het ‘inspelen op onderbuikgevoelens’, met het verkondigen van opvattingen die een beschaafd persoon nooit zou mogen huldigen. De afkeer van populisme heeft grotendeels te maken met de angst voor de domheid van het volk of de gewone man. De macht hoort immers te berusten bij een elite (zorgvuldig geselecteerde politici die namens de bevolking besluiten nemen). Het populisme vertrekt van het beeld van ‘de mensen’ als een homogene brij terwijl de samenleving eerder kenmerken van diversiteit vertoont. Oorspronkelijk was het populisme een stroming in de Franse literatuur, waarin belangstelling werd getoond voor het leven van de lagere volksklassen.

04 mei 2007

Aal is geen paling.

Met veel tromgeroffel werd onlangs het 'Woordenboek van Platte Taal' uitgebracht.
Auteurs zijn Heidi Aalbrecht en Pyter Wagenaar. Deel 2 van een recensie.

Reissecretaresse schijnt een eufemisme te zijn voor een hoer. Misschien is dat zo in Zweden maar in ons taalgebied? Aalbrecht en Wagenaar citeren het Zweedse schrijversechtpaar Maj Sjöwall en Per Wahlöö. In de digitale krantenbestanden komt het in die betekenis alleszins niet voor. Ook Van Dale kent het woord niet. Heel wat van de zgn. ‘platte’ termen staan trouwens ook in de driedelige Van Dale. Wat is dan de meerwaarde van dit boek?

Er zijn natuurlijk de leuke kaderteksten, gegroepeerd rond steekwoorden zoals: auto, bordeel, crimineel, dood, drinke, seks enz. Verder vermelden de auteurs bij ieder lemma keurig de etymologie maar soms is die totaal nietszeggend.
Bij ‘klepzeiken’ (zeuren) staat bijvoorbeeld: van klep en zeiken terwijl bij ‘klepzeiker’ bij de etymologie gewoon naar het werkwoord wordt verwezen. Veel kun je je daar niet bij voorstellen. Eigenlijk had hier moeten staan: ‘iemand die de klep of klap van zijn broek bezeikt’. Een verwijzing naar ‘klep’ (mond) is gewoon misleidend.

Naast de etymologische informatie geven de auteurs hier en daar ook citaten, maar eigenaardig genoeg zonder bronvermelding. Een volledig overzicht van de vindplaatsen mét bronvermelding vind je dan weer wel op www.plattetaal.nl . Van andere woordenboeken die geraadpleegd werden geen spoor. Waarom die bronnen niet gewoon achteraan in het boek afgedrukt werden is een raadsel. Zoveel meer plaats hadden ze toch niet ingenomen? Of moesten ze wijken voor de erg aantrekkelijke vormgeving van dit boek (iedere letter opent met een paginagrote illustratie)?

Saai kun je dit woordenboek niet noemen. De belangstelling voor ‘vieze woorden’ of ‘platte taal’ is groot. Er zit een zekere amusementswaarde in. Wie twijfelt moet maar eens een aantal jongerensites op het Internet bezoeken. Daar word je voortdurend om de oren geslagen met grof taalgebruik. Een boek als dit kan soms helpen om het sociolect te begrijpen. Van heel wat neologismen had ik nooit eerder gehoord: bloemgrachtkruiser; bruynzeelmeisje, foslo, kringmusketier, schnabbelgestapo. Allemaal heel onderhoudend maar waar ik verveeld mee blijf zitten is het feit dat de auteurs blijkbaar geen verschil in stijlniveau zien tussen ‘platte’ woorden (uit de taboesfeer) zoals ‘buikneuken, dildoslet, doorbitch, eikelkaas’ en veeleer brave termen (waarbij het schaamrood de gebruiker beslist niet naar de kaken zal stijgen) zoals ‘doodleuk, flater, godzijdank, halfdronken, herrieschopper, tipgever enz. enz.’ Sorry maar aal is geen paling. Als je deze laatste categorie opneemt in een woordenboek van ‘platte taal’ dan ontbreekt er nog heel wat. In feite kan dan de halve Van Dale er in.

Mocht er een tweede druk komen dan hoop ik dat de auteurs minstens 1/5 van het materiaal schrappen. Er staan ongeveer 5.000 termen in. De vrijgekomen ruimte kan dan benut worden voor de vele omissies (balieteef, befborstel, heiboer, oelewapper, pispraatje, rapplement enz.).

Nu is het boek teveel een allegaartje van vulgair taalgebruik, eufemismen, neologismen, specialistische termen en doodgewone woorden die Jan, Piet en Klaas schaamteloos gebruiken.

Het ‘Woordenboek van platte taal’ van Heidi Aalbrecht & Pyter Wagenaar is een heel mooi cadeauboek, dat wellicht zorgt voor een paar uren vermaak, maar waarvan de wetenschappelijke waarde jammer genoeg gering is.

24 april 2007

Platte taal. Hoezo, platte taal?


Bij uitgeverij BZZTôH verscheen onlangs het Woordenboek van platte taal.

Het ziet er poepchic uit met die bloedmooie cover en illustraties van kunstenaar Jacques Tange: een echt koffietafelboek. Op het eerste zicht zou je dus niet zeggen dat de inhoud viswijventaal, borreltafelpraat en ander verbaal geweld bevat. Want dat is het lezer, een lexicon van hedendaagse spreektaal, afkomstig uit de slaapkamer, het bordeel, de straat en de kroeg. Auteurs zijn de voormalige Van Dale-redacteuren Heidi Aalbrecht en Pyter Wagenaar.

En dat merk je aan de opbouw van de lemma’s, de vele kaderteksten, thematische verzamelingen en het gebruik van citaten (zonder bronvermelding, maar daarover later meer). Uiteraard behandelt dit werk gewoon slang (wat niet hetzelfde is als Bargoens) maar die Engelse term verkoopt hier voor geen meter. Een goed Nederlands alternatief bestaat niet. Daarom zullen de auteurs wellicht gedacht hebben dat ‘platte taal’ de modale taalgebruiker nog het meest aanspreekt.

Ik ben blij dat er ook voor ons taalgebied eindelijk zo’n boek bestaat, laat dat duidelijk zijn. Maar jasses marante, ik voel me toch een beetje vernacheld!

Zeg nu zelf, beste lezer, krijgt u ook rode koontjes bij het lezen van woorden als:

alcoholwalm; bierbuik; blunder; boodschappenwagentje; crimefighter, criminele circuit, dekmantel, dieventaal, dranklucht, flater, gangsterliefje, gluurder, halfdronken, havenbordeel, herrieschopper, huiszoeking.

Ik kan nog wel een tijdje doorgaan. Soms moet ik er het boek nog eens op naslaan om te kijken of ik me niet vergis, maar inderdaad deze vieze woorden staan er in. Bij ‘gluurder’ staat bijvoorbeeld als omschrijving: voyeur. Mogelijk is dat een nettere term. Het woord ‘gluurder’ gebruik je dus best niet in een formeel gesprek want je toehoorders zouden zich wel eens het apelazarus kunnen schrikken.

Ik kan er nog inkomen dat ‘bejaardenseks’ wordt opgenomen in een standaardwerk over plat taalgebruik, als je er vanuit gaat dat de term ‘bejaarde’ tegenwoordig niet politiek correct is (want te denigrerend) en ‘senior’ de voorkeur draagt. Maar wat doen woorden als ‘elektrische stoel, ijdeltuit, klaagcultuur, liftmuziek enz.’ in godsnaam in dit boek?

Voor de auteurs geldt als criteria o.a. de beperkte gebruikssfeer (een woord mag niet in alle gezelschappen en overal te gebruiken zijn), het moet wel de laatste 40 jaar gebruikt zijn en liefst gedurende een aantal jaren. Een volgens Van Dale verouderde, informele term als ‘mieters’ werd in dit boek niet opgenomen want ‘niet plat meer’.
Daar zakt toch je broek van af! Geen enkel stijlboek zal het gebruik van ‘mieters’ aanbevelen in formele gesprekken of teksten. De laatste tijd beleeft het woord trouwens een heropleving.

Verder bevat deze verzameling een fiks aantal eendagsvliegen of liever hersenspinsels van bepaalde schrijvers. Het erotisch werk van Heere Heeresma bevat heel wat metaforen voor de geslachtsorganen en de geslachtsdaad (feesttrompet; gezagvoerder; zonnig Madeira enz.). Daarbuiten worden die termen nergens gebruikt. Ze hebben ook nooit ingang gevonden in de Nederlandse taal, zelfs niet binnen een select groepje. In het beste geval zou je ze alleen kunnen vermelden in een erotisch woordenboek, waar ze mijns inziens wel op hun plaats zijn. Kees van Kooten bedacht ooit de woordspeling 'orgaskraan'. Is dat voldoende reden om zo'n trouvaille op te nemen in een woordenboek?

Graag ga ik volgende week dieper in op de keuze van beide auteurs, het gebruik van citaten, de omissies en ook de leuke dingen. Ja, die zijn er ook.

21 april 2007

Russische roulette.

In de film ‘The Deer Hunter’ zit een scène waarin Russische roulette wordt gespeeld.

Dit is een duel op leven en dood waarbij de deelnemers beurtelings een revolver met slechts één kogel in het magazijn tegen het hoofd plaatsen en afdrukken. Alvorens men begint te schieten, laat men eerst de draaischijf (cilinder of trommel) een paar maal ronddraaien, zodat men niet weet waar de kogel zit. De uitdrukking wordt ook figuurlijk gebruikt voor een roekeloze onderneming. In het aidstijdperk (jaren negentig van vorige eeuw) werd veelvuldig seksueel verkeer met verschillende partners (of anale seks zonder condoom) als Russische roulette bestempeld.

Over de herkomst van de uitdrukking bestaat geen zekerheid. Er zijn enkel gissingen. Naar verluidt zou Russische roulette populair geweest zijn onder Wit-Russi­sche officieren aan het eind van de 19de eeuw. Ze speelden dit spel met de dood om de verveling te verdrijven. Merkwaardig is dan wel dat er van deze uitdrukking geen spoor te vinden is in oudere woordenboeken. De ‘Larousse Grand Dictionnaire Universel du XIXe siècle’, deel 13, 1875, wijdt er geen enkele letter aan, niettegenstaande het feit dat er in de vorige eeuw in Frankrijk heel wat te doen was over het land waar in 1837 Poesjkin werd doodgeschoten in een duel door een Franse baron. De Russische schrijver Toergenjev (1818 - 1883), die een vedettestatus had in de Parijse salons, maakte het begrip `nihilisme' eind vorige eeuw gemeengoed, en Russische roulette heette toch een tijdverdrijf van de `nihilistische' intelligentsia in het 19de-eeuwse Rusland. Desondanks geen woord hierover in deze gerenommeerde encyclopedie.

Een variant van Russische roulette wordt Amerikaans duel genoemd. Hierbij worden twee revolvers gebruikt; één is geladen en één niet. Men zou dan ook geneigd zijn te zeggen dat de Russi­sche roulette in feite een ontsporing of variëteit van het duel is. Dit gezegd zijnde, zouden Amerikaanse cowboys (uit de Midwest) eigenlijk aan de basis van dit roekeloze spel kunnen staan. Feit is dat de bekende Nederlandse woordenboeken pas in de jaren zeventig van vorige eeuw melding maken van de uitdrukking (in 1981 dook ze op in de Kramers; in 1984 volgde Van Dale; Le Petit Robert ging beide woordenboeken al vooraf in 1978). Een verklaring hiervoor is wellicht de populariteit van een film als `The Deer Hunter', die in 1978 vijf Oscars kreeg. Het gewelddadige spel krijgt in deze prent een belangrijke rol toebedeeld. De impact hiervan is zo groot, dat het spel in Amerika zelfs navolging krijgt. Dit vind ook weerklank in de Nederlandse pers, waardoor Russische roulette vrij snel een begrip wordt. Jeroen Brouwers wijdt in ‘De versierde dood’ (1989) een heel hoofdstuk aan de benaming. Ook hij komt niet veel verder in een zoektocht omtrent de herkomst. De schrijver noemt R. Goscinny, de tekst­schrijver van het stripverhaal `Lucky Luke' en eminent kenner van de geschiedenis van het wilde Westen, als één der eersten die bij ons het begrip introduceer­de: in het stripalbum `De grootvorst' uit 1973. Daarin doet de adjudant van een Russische grootvorst, tijdens een bezoek aan het wilde Westen, omstandig uitleg over Russische roulette. De adjudant van Zijne Hoogheid noemt het een onschuldig spelletje dat aan het hof van de tsaar gespeeld wordt. Vreemdtalige auteurs maakten er echter eerder melding van. Graham Greene omschreef in de jaren dertig van de twintigste eeuw in zijn biografie ‘A Sort Of Life’ de Russische roulette als `een buitengewoon gevoel van gelukzaligheid. Zoiets als een allereerste seksuele erva­ring.'

De uitdrukking komt ook voor in een medisch artikel in The Lancet in 1976. Het tijdschrift Collier's (01/30/1937), is wellicht één der eerste (Engelstalige) vindplaatsen: `Did you ever hear of Russian Roulette? ... With the Russian army in Rumania, around 1917, ... some officer would suddenly pull out his revolver, ... remove a cartridge from the cylinder, spin the cylinder, snap it back in place, put it to his head and pull the trigger.'
Volgens de Random House Webster's College Dictionary (1991) zou de frase ontstaan zijn in de periode 1935 - 1940 (dus zeker niet in de 19de eeuw). Russische schrijvers uit deze eeuw doen er evenwel het zwijgen toe.

In hoeverre is Russische roulette Russisch (van oorsprong)? Misschien moeten we het allemaal niet zo ver gaan zoeken. De Russen hebben altijd al bekend gestaan als een morbide en pessimistisch volk. Niettemin bestaat er geen enkel afdoend bewijs dat men zich aan het hof van de tsaar te buiten ging aan dergelijke `nihilistische' spelletjes. Het kan best zijn dat we hier met de zoveelste racistische uiting te maken hebben, eenzelfde racisme als waarvan bijv. ook de joden het slachtoffer geworden zijn. Het racisme zou dan schuilen in de idee, dat enkel een Rus zo fatalistisch kan zijn dat hij zijn vrije tijd met dergelijke `spelletjes' zou vullen. De allitera­tie in de frase heeft wellicht ook bijgedragen aan haar popula­riteit.

15 april 2007

Aju paraplu.

Het valt op dat vooral kinderen en adolescenten inventief zijn in het lanceren van allerlei rijmende uitdrukkingen. Wat ook frappeert is dat deze Jan de Rijmers vooral bij begroetingen erg actief zijn. Welke grapjurk verantwoordelijk is voor het aardig ingeburgerde ‘aju paraplu’ zullen we wellicht nooit achterhalen, al weet journalist Henk van Gelder in zijn gelijknamig boekje wel te melden wie deze kreet populair heeft gemaakt. Van Gelder noemt de in Nederland bekende publiciteitsadviseur en ooit tijdens een kortstondige periode quizpresentator, Peter Knegjens. De man zou tijdens een bezoek aan het casino van Knokke de uitroep gehoord hebben van een Amsterdamse kasteleines. Telkens de croupier ‘Rien ne va plus’ riep, werd dit beantwoord met ‘aju paraplu, dat geld is niet meer van U’.
Knegjens zou het gebruik van ‘aju paraplu’ gerevitaliseerd hebben in zijn quizperiode, maar in de Amsterdamse volkstaal moet deze uitdrukking al veel langer ingeburgerd zijn.

Aju als verbastering van het Frans adieu, komt volgens het WNT al voor in het begin van de 18e eeuw. Over ‘aju paraplu’ komen we in dit monumentale werk niets te weten. Wellicht is deze uitdruk­king vlak na de tweede wereldoorlog ontstaan. Een recent voorbeeld vinden we bij Maarten ‘t Hart in De Unster (1989): ‘Nou, en hoe molliger, hoe aardiger, maar ja, dat geldt in het gewone leven ook, daar zul je wel niet van opkijken. Nou, aju, paraplu....’

De toon waarop jongeren elkaar groeten of van elkaar afscheid nemen, is vaak humoristisch of spottend. Er wordt gebruik gemaakt van rijmen om een begroeting te accentueren. Derge­lijke zinnetjes blijven immers langer hangen. Naast ‘aju paraplu’ en ‘alles kits onder de rits’ hoor je in Nederland ook wel eens het pseudo-Spaanse ‘hasta la pasta’ en het amicale ‘hoi piepeloi’.

Een specifieke mannengroet van boven de Moerdijk is ‘de ballen’, waarbij men de aangespro­kene veel geld of ballen toewenst. (Vergelijk het gelijkaardige, maar uit joodse kringen stammende ‘de mazzel’, waarbij iemand geluk wordt toegewenst!) Deze groet wordt vaak uitgebreid met het nonsensrijmpje ‘hou ze warm en laat ze niet vallen!’

De onder Nederlandse jongeren erg populaire disc-jockey Jeroen van Inkel introduceerde de pseudo-Spaanse kreet ‘los ballos’, als vertaling van ‘de ballen’.

10 april 2007

Alles kits onder de rits?

Rijmende woordparen of zinnen zijn in onze taal beslist niet ongewoon. Denken we maar aan ‘hoog en droog; raar maar waar; wijd en zijd’ of aan het stafrijmende ‘glim en glitter; kommer en kwel’. Ons alledaags taalgebruik zit in feite vol met dit soort beginnerspoëzie.

Een gouwe ouwe (al vele decennia oud en nog steeds populair) is de informele begroeting ‘alles kits onder de rits’, dat zoveel betekent als: hoe gaat het? Alles in orde? De toevoeging ‘onder de rits’ heeft slechts één functie: de intensivering. Het rijm onderstreept nog eens wat vooraf gaat.

Kits komt ook alleen voor, met als nevenvorm (ondertussen verouderd) : kips. Het woord is terug te voeren op het Jiddische ‘(alles) gietes’, dat op zijn beurt is afgeleid van het Duitse ‘alles Gute’. Het WNT citeert Brusse met Boefje (uit 1903). Het rijm moet later gevormd zijn want daarvan vinden we in dit monumentale woordenboek geen spoor. Ook niet van de grappige toevoeging ‘kachel in bed, kindje in de kolenbak’ (o.a. terug te vinden in het werk van volksschrijvers zoals Piet Bakker en A.M. de Jong). Dimitri Frenkel Frank gebruikte de rijmvorm in zijn Memoires van een lafaard (1986), zij het met een andere bijwoordelijke bepaling van plaats. Bij hem wordt het ‘alles kits achter de rits’.

In dezelfde sfeer en uit de jaren zestig van vorige eeuw stammend, is de kinderlijke begroeting ‘Dag meneertje koekepeertje’, waarop meestal de standaardrepliek ‘dag juffrouw Kattemauw’ volgt. Het is poëzie van de straat. Het wordt door kleine kinderen geroepen naar volwassenen en het slaat nergens op. Bij Peter van Straaten (in diens Luxe-verdriet, uit 1988) impliceert het iets ondeugends: “wat ik altijd zo merkwaardig vind.... kijk, mannen.... en ook deze mannen .... apart, ieder voor zich .... dan zijn het gewoon mannen .... maar niet zodra ze samen gaan lunchen, als echte heren, dan veranderen ze onmiddellijk in meneertjes koekepeertjes. “

De VPRO had een paar jaar terug een programma waarin kinderrollen door volwassenen werden gespeeld en waarbij voor volwassen karakters kinderen gekozen werden. De titel van dit programma was: Dag Meneer De Koekepeer, een bewijs dat dit kinderrijmpje het nog steeds goed doet.