30 december 2009

Vaarwel 2009, welkom 2010.


“And now, the end is here. And so I face the final curtain.”
Het doek is gevallen. Na vijf jaar bloggen over taal gaat de stekker er definitief uit. Het is mooi geweest. Tijd voor contemplatie. Je bent nooit te oud om iets af te leren. Voor mij is het hoofdstuk ‘taal’ afgesloten. Alhoewel, niets is zeker en zelfs dat niet (Multatuli).
Is er leven na taal? Wis en zeker. Er is muziek, er zijn nog stapels boeken die liggen te wachten. Mensen die mij kennen weten dat ik veel van arthouse films hou. Misschien start ik binnenkort wel een filmblog, wie weet. Bedankt voor al jullie fijne reacties en mails.
Aan al mijn lezers wens ik een vreugdevol 2010. En nu, handjes uit de mouwen!

28 december 2009

De beste taalboeken van 2009.


2009 zit er bijna op en we kunnen gerust stellen dat het een Grand Cru-jaar was, althans wat taalboeken betreft. We kunnen jammer genoeg niet alles aan bod laten komen.
The Routledge ‘Dictionary of Modern American Slang and unconventional English’ van Tom Dalzell spant evenwel de kroon. Dit lijvige boekwerk is gewoon een feest. Het telt maar liefst 25.000 ingangen, aangevuld met citaten uit literatuur, kranten, liedjesteksten, films, televisieshows, internet, noem maar op. Naast een woordverklaring vind je er etymologie, culturele context, land van herkomst en de datum waarop het woord voor het eerst werd gebruikt. Informatief en amusant tegelijk. Wie wil weten wat een ‘Boston marriage’ is of waar de ‘Brazilian landing strip’ vandaan komt, schaft zich best deze klepper aan. Je hoeft niet langer bang te zijn dat je het slang van The Soprano’s niet meer kunt volgen.
Ter lering ende vermaak is er ook nog de achttiende editie van ‘Brewer’s Dictionary of Phrase & Fable’, een klassieker die om de zoveel jaar weer eens bijgewerkt wordt. Dit naslagwerk is al een paar eeuwen (de eerste uitgave verscheen in 1895) de inspiratiebron van veel lezers, schrijvers en denkers. Je kunt er steeds opnieuw in grasduinen en telkens iets nieuws ontdekken. Brewer belicht zaken zoals taal, cultuur, mythe en legende. Nieuwe onderwerpen zijn o.a. ‘Blu-ray, botnet, Brazilian wax, Deep Web, glass ceiling, Google, iPod, metrosexual, MP3, the new woman, Podcast’. Voor het eerst is er ook een ‘Brewer’s Dictionary of London Phrase & Fable’. Zo’n 2000 woorden en uitdrukkingen die te maken hebben met Londen komen hier aan bod, het ene onderwerp al wat uitgebreider dan het andere: Cockney Rhyming Slang; bijnamen van bekende plaatsen en personen; romans en populaire Britse televisieseries (zoals EastEnders) die zich in Londen afspelen enz. De nieuwste uitgaven van Brewer zijn nog prachtig verzorgd ook. Je moet er flink voor dokken maar ze zijn de prijs meer dan waard.
Voor wie er pap van lust is er nog ‘Lost English’ van Chris Roberts. Zoals de titel laat vermoeden, is dit een soort vergeetwoordenboek. De auteur behandelt uitgebreid talrijke Engelse woorden en uitdrukkingen die verloren dreigen te gaan. De Britse jeugd kent ze niet meer, helaas pindakaas. Een paar krenten uit de koek: Ban the bomb; bobby-soxer; donkey jacket; Heath Robinson; nit nurse; UB40. Het boek telt slechts 172 pagina’s maar is erg onderhoudend voor wie van de Engelse taal houdt.
‘Pimp your vocab’ (met als ondertitel: A terrifying dictionary for adults: words kids don’t want you to know) van een zekere Lucy Tobin lijkt op het eerste zicht een hap-snap-klaarboekje. Wilt u echter op de hoogte blijven van recent Amerikaans jongerenslang dan is dit wat u nodig hebt. Met voorbeelden uit dagelijkse conversaties.
Jeugdtaal, vooral dan Duitse, komt eveneens aan bod bij Duden. ‘Das Wörterbuch der Szenesprachen’ is een musthave voor wie de laatste trends op gebied van muziek, internet, uitgaansleven, media enz. volgt. Voor meer hierover verwijs ik naar mijn blog van 20 augustus.

In 2009 vonden we ook een paar interessante Franse woordenboeken. Bijvoorbeeld: ‘La parlotte de Marianne. 1000 mots d’argots politique’ van Bruno Fuligni. Je moet wel een beetje thuis zijn in het Franse politieke wereldje. Het boekje is aardig up to date getuige o.a. neologismen zoals ‘voyoucratie’ (gemunt door Nicolas Sarkozy) en ‘Starkozysme’. Ook de ‘idiot utile’ (nuttige idioot) werd opgenomen. Een handig zakwoordenboekje is ‘Insultes, gros mots et injures’, op dit blog besproken op 7 september. Ik ga er dus niet verder op in.
Het Nederlandse taalgebied werd dit jaar eveneens verwend. Boeken over taalergernissen verschijnen bij regelmaat maar het grappigste is ongetwijfeld ‘Taal is zeg maar echt mijn ding’ van cabaretière en columniste Paulien Cornelisse. Zij slaagt erin allerlei modekreten, slordige uitspraken e.d. vakkundig te fileren, vaak tongue in cheek. Het boekje leest buitengewoon prettig en nodigt bovendien uit tot herlezen. Een tien met een griffel dus voor mevrouw Cornelisse!
Van Dale bracht in 2009 heel wat nieuwe kwalitatieve producten op de markt. Uitschieters zijn het ‘Modern uitroepenwoordenboek’ van Ton den Boon (hier gerecenseerd op 5 november) en het ‘Modern Bargoens woordenboek’ van Ewoud Sanders. Dit laatste telt ongeveer 700 Bargoense woorden en uitdrukkingen, waaronder een aantal hedendaagse (flipperen; omkatten; katvanger). Volledigheid werd niet nagestreefd (zo mis ik o.a. knaak, lollepot, moos, potkacheltje, riks) maar daar staat dan tegenover dat bijna alle lemma’s geïllustreerd worden met citaten uit literatuur en kranten. Bovendien krijg je bij ieder woord een bondige omschrijving, datering en etymologie. Een informatief leeswoordenboek zeg maar.
Wat zeker niet in de boekenkast mag ontbreken is ‘Het verhaal van het Nederlands’ van Nicoline van der Sijs en Roland Willemijns: over twaalf eeuwen Nederlandse taalrijkdom. 404 pagina’s telt dit naslagwerk. Vooral interessant is het feit dat ook het taalgebruik in Vlaanderen, Suriname en de Antillen uitgebreid belicht wordt. Dit boek is een waardige opvolger van ‘Het verhaal van een taal’ van dezelfde auteurs.
Als hekkensluiter willen we nog het nieuwe boek van Heidi Aalbrecht aanbevelen: ‘Waarom is een blauwe maandag blauw?’ Zij behandelt meer dan 500 spreekwoorden en uitdrukkingen. Het leuke aan dit boek is dat je heel wat kennis opsteekt over de Nederlandse (en Vlaamse) volksaard en gebruiken. En ja, de taal is gans het volk.

27 december 2009

Over de bloemetjes en de bijtjes.

Engelssprekenden hebben het over ‘the birds and the bees’ of over ‘the facts of life’. Fransen gebruiken de uitdrukking ‘l’histoire du chou’. Als eufemisme voor ‘de eerste beginselen van de seks en de voortplanting’ hebben wij het nog steeds over ‘de bloemetjes en de bijtjes’. In gesprekken met kinderen worden al te gênante connotaties met het lichamelijk verkeer hiermee afgeleid naar niet menselijke soorten.
In de jaren tachtig en negentig van vorige eeuw moest een tekening van een bloemetje en een bijtje de boodschap van ‘veilig vrijen’ overbrengen. In ons taalgebied werd de uitdrukking reeds opgetekend in 1969 al is ze beslist veel ouder. We mogen wellicht veronderstellen dat het om een ontlening aan het Engels gaat. Mogelijk heeft zelfs een bekend liedje hiermee te maken. De Amerikaanse liedjesschrijver Cole Porter had in 1954 immers een populaire song met volgende woorden: ‘Birds do it, bees do it, Even educated fleas do it, Let’s do it, let’s fall in love.’

26 december 2009

Lifestyle.

Dit woord slaat op de persoonlijke levensstijl; het geheel van gedragingen, iemands houding, overtuiging en bezittingen. Het wordt geassocieerd met een bepaald individu of een bepaalde sociale groep.
De term werd in 1929 bedacht door Adfred Adler en aanvankelijk in de psychologie gebruikt in de zin van `hoofdkenmerken van een persoon, zoals ontwikkeld in de vroege kindertijd', of met andere woorden iemands unieke stijl die hij of zij een leven lang met zich meedraagt. In de jaren vijftig van de twintigste eeuw werd het woord gepromoot door Amerikaanse journalisten en adverteerders. Psychologisch en sociologisch jargon klinkt nu eenmaal erg indrukwekkend. De laatste tijd wordt de term meer en meer geassocieerd met bezit (weelderig interieur, dure auto, schilderijen, elektronische snufjes enz.), in plaats van met iemands denken en doen.
Bij ons is het woord in het begin van de jaren tachtig populair geworden. Hans Ferrée nam het in 1983 al op in het 'Trendletter ABC'.

23 december 2009

En morgen gezond weer op!


Op de radio zingt Harry Belafonte over ‘The twelve days of Christmas’. Dat wordt weer veel Wein, Weib und Gesang. ‘En morgen gezond weer op’zou Sonja Barend zeggen.
Aan al mijn lezers: een fantastisch kerstfeest. Laat de champagnekurken knallen en maak het vooral gezellig. Op dit blog gaat de stekker er binnen een paar dagen definitief uit. Maar een paar berichten hebben jullie nog tegoed. Noch bloemen, noch kransen! Ziezo, het hart is weer eens gelucht. Do re mi fa sol, alweer een blaadje vol. 





22 december 2009

Screenagers.

Jongeren anno 2009 zijn opgegroeid met televisie (waarop twintig of meer kanalen geprogrammeerd zijn), met afstandsbediening, computers, games en Internet. Vaak zijn ze met tien dingen tegelijk bezig. Tegenwoordig zijn zij de deskundigen van cyberland geworden.
Een leven zonder computer is leeg voor hen. Voor deze jeugdige computerfreaks werd in het midden van de jaren negentig van vorige eeuw de term ‘screenagers’ bedacht.
Het woord ontsproot aan het brein van de Amerikaanse cybergoeroe Douglas Rushkoff. Screenager is een samenvoeging van ‘screen’ (scherm) en het achtervoegsel –ager (zoals in teenager).
Volgens sociologen zijn deze ‘screenagers’ veel oppervlakkiger geworden.

18 december 2009

De woorden van 2009.

Twitteren is dus uitgeroepen tot woord van het jaar, althans door bezoekers van het Onze Taal-congres. Onder de kanshebbers zaten ook ‘Mexicaanse griep’ en ‘kopvoddentaks’ maar die haalden het niet. Twitteren werd op dit weblog al gesignaleerd op 28 februari 2008.
Verder werd het woord al opgenomen in het Van Dale Jaarboek Taal 2008. Vraag is dan ook of het kenmerkend is voor 2009. Er zijn toch genoeg andere nieuwvormingen die in aanmerking komen en die representatiever zijn voor het afgelopen jaar. Wellicht lag de ‘Mexicaanse griep’ (door een aantal leukerds steevast de ‘Tacohoest’ genoemd) te zeer voor de hand.
Op de website van Van Dale kreeg ‘ontvrienden’ (het verwijderen van bepaalde contacten op netwerksites) dan weer de eretitel. Minder betwistbaar dan de keuze van vorig jaar (swaffelen) en het woord wijst alleszins op de groeiende populariteit van sociale netwerken zoals Facebook, Hyves en Twitter.

Geert Wilders is niet alleen de bedenker van de ‘kopvoddentaks’ (belasting op hoofddoekjes), ook het scheldwoord ‘shariasocialist’ komt uit zijn koker. Hiermee wou de roeptoeter van Wakker Nederland socialisten die de verdediging van islamieten op zich nemen (zoals PvdA’er Eberhard Van der Laan), door de mosterd halen. Nog een (scheld)woord uit de religieuze sfeer is de ‘Poldertaliban’: een benaming voor religieuze fanatici. De term werd begin 2009 voor het eerst gebruikt door shocklog GeenStijl. Het ergerlijkste woord van dit jaar was wat mij betreft ‘fokkie’ (zie mijn blog van 8 november). Om je bijna van te verslikken in je koffie!
Een treffer is dan weer de ‘Wikigeneratie’. Deze parapluterm slaat op mensen die hun informatie vooral uit digitale bronnen op internet (zoals Wikipedia) halen en zelden iets checken.

Muzikale trends waren er ook in 2009. Toen begin dit jaar de Rap das Armas een grote clubhit werd, verwachtte iedereen een doorbraak van de zgn. ‘Bailefunk’. Het betekent zoveel als sloppenfunk en het moet zo’n beetje tot de Braziliaanse culturele erfgoed gerekend worden. Het gaat hier om een samenstelling van ‘baile’ (Portugees voor dansfeest) en ‘funk’ (Engels voor ritmische popmuziek). Over de ouderdom en de leefbaarheid van dit woord valt te twisten, maar dat geldt voor heel wat trends. ‘Zumba’ (zie mijn blog van 2 juli) is misschien wel de rage van 2009 geweest.
Een korte opsomming van neologismen die het voorbije jaar min of meer spraakmakend waren: ‘DNA-douche’ (zie mijn blog van 30 augustus 2009); ‘doula’ (opgenomen in Van Dale Jaartaal 2010 hoewel het woord reeds in 2001 werd opgetekend); ‘infominderen’ (naar analogie van consuminderen: minder informatie vergaren uit bronnen zoals internet en allerlei media); ‘twitteratuur’ (literatuur in de vorm van ‘tweets’, dit zijn korte berichten via Twitter. Het gaat hier om een plan van uitgeverij Penguin die hiermee een nieuw soort publicatie in het leven wil roepen: Shakespeare, Dante, Stendhal en andere grootheden op maat van twitteraars, of hoe noem je die lui die ‘twitteren’?).
Bij ‘Twitterrevolutie’ denken we meteen aan de spanningen in Iran tijdens de voorbije verkiezingen. Twitter werd door opstandige burgers gebruikt als alternatief voor de massamedia die in handen zijn van de overheid. Ook leuk (tenminste voor zuigelingen) is de ‘moedermelkbank’ of kortweg de ‘melkbank’(een instelling die moedermelk inzamelt voor vnl. couveusebaby’s).
Grappigste woord van 2009 is de ‘scheetbelasting’. Het vrijkomen van methaan is schadelijk voor het milieu en dat is wat koeien doen wanneer ze scheten laten. De Nederlandse boeren waren meteen boos. Emigreren hoeft echter nog niet direct want de kwestie speelt (voorlopig enkel) in Denemarken!

13 december 2009

Het ik-tijdperk.

Binnen nog geen drie weken eindigen de jaren nul, het eerste decennium van de éénentwintigste eeuw. Hoe we die jaren best typeren laat ik over aan historici. Een benaming hiervoor is wellicht nog te vroeg. Veel hangt immers af van wat voorafging maar ook van wat erna komt.
Geen decennium werd echter zo treffend getypeerd als de jaren zeventig van de voorbije eeuw: het zgn. ‘ik-tijdperk’. Het gaat om een vertaling van het Engelse ‘the me-decade’, ook wel ‘the age of me’, een uitdrukking die gelanceerd werd door de Amerikaanse auteur-journalist Tom Wolfe in het mei/ juninummer van 1973 van The Critic).
Het is de benaming voor de jaren zeventig van de twintigste eeuw, de periode waarin alles rond de eigen persoon draaide en er weinig belangstelling was voor de medemens; de `cultuur van het narcisme'. Bij ons werd de term gelanceerd door het tijdschrift de Haagse Post (erflater van het huidige HP/De Tijd) in het kerstnummer van 1979. Anja Meulenbelts bestseller ‘De schaamte voorbij’ werd hierin als kenmerkend opgevoerd. Dit boek was volgens de redactie immers het absolute egodocument: de persoonlijke groei van een vrouw, getekend als één lange worsteling. De `ik-generatie' (me-generation) wordt gevormd door yup(pie)-prototypes die de innerlijke contemplatie van de hippies uit de jaren zestig omzetten in een vergaande obsessie met zichzelf.

10 december 2009

Afserveren.

Dit aan het Duits (abservieren) ontleende neologisme en eufemisme betekent tegenwoordig: ontslagen; afwijzen. Het kan zowel op zaken als op personen slaan. Zo kan een bepaald plan voorlopig ‘afgeserveerd’ worden. Youp van ’t Hek schreef ooit in NRC Handelsblad: ‘Zelf schrijf ik wekelijks in de VARA-gids en in datzelfde blaadje word ik regelmatig afgeserveerd door Herman Brusselmans en Theo van Gogh.’
De term ‘afserveren’ ontstond wellicht in sportkringen, waar het de betekenis had van: ‘een pijnlijke nederlaag krijgen (bezorgen)’. Zo kon je bijvoorbeeld horen dat PSV werd afgeserveerd. Tegenwoordig wordt het woord veel ruimer gebruikt. Afserveren kan nu ook slaan op het afvoeren van een dronkaard. In het zakenleven wordt de term dan weer gebruikt m.b.t. iemand die mislukt is.

05 december 2009

Wil de laatste het licht uitdoen?

Bovengenoemd zinnetje wordt wel eens schertsend gebruikt m.b.t. de laatste vertegenwoordiger van een bepaalde ideologie of bedrijfstak die het voor gezien houdt.
Op 9 april 1992, op de dag van de Britse algemene verkiezingen, kopte de schandaalkrant The Sun naast het hoofd van Labour-leider Neil Kinnock: `If Kinnock wins today will the last person in Britain please turn out the lights.'
In de jaren zestig viel de leuze al te lezen als opschrift aan de Oost-Duitse kant van de Muur. Wellicht ontstond de kreet dus als een graffitigrap. Volgens een bepaalde bron was er omstreeks 1967 op het Israëlische vliegveld van Lydda (Lod, tegenwoordig Ben Gurion Airport bij Tel Aviv), in de periode dat de situatie in Israël deplorabel was (ten tijde van de regering Levi Esjkol), een notitie opgehangen: `Will the last to leave kindly turn out the light.'
Een andere bron maakt melding van een ander vroeg (Amerikaans) voorbeeld. Begin jaren zeventig werden de Boeing-fabrieken in de staat Washington door massale ontslagen getroffen. In en rond de stad Seattle had dit tot de ineenstorting van de huizenmarkt geleid. Veel gezinnen vertrokken toen naar betere oorden. Er kwam een ware hausse in opschriften en T-shirts: `Will the last person leaving Seattle (this area/ Boeing/ the state of Washington enz.) please turn off the lights!' De uitdrukking zou (in Amerika) ook regelmatig te vinden zijn in vernietigende film- en theaterkritieken (last person leaving the theatre).
Bij ons zou Wim Kan de frase gebruikt hebben in zijn oudejaarsconference in het oliecrisisjaar 1973. Ook Fons Jansen zou in een van zijn vroege shows (`De lachende Kerk'?) over de leegloop van de r.-k. Kerk gezegd hebben: `Wil de laatste broeder die uittreedt het licht uitdoen?' Zekerheid hierover is er niet.

01 december 2009

Zo komt Jan Splinter door de winter.

Op 28 november stond er in het Brabants Dagblad –onder de kop ‘Beleggend de winter door’- onder meer het volgende:
“2010 zal de hartkleppen van menig belegger wederom op duurzaamheid uittesten, dat lijkt haast geen voorspelling. Het herstel dat gaande is, is niet van een klassieke sterkte als dat we gewend zijn. Het herstel dat zich in 2010 met vallen en opstaan verder ontplooit, zal voelen als het fietsen op een slecht onderhouden binnenweg in Wallonië. Maar met het sturen van de portefeuille op de combinatie rotsvast en een stevig dividend komt belegger Jan Splinter vast weer gezond de winter door.” Einde citaat.

Met Jan Splinter wordt de kleine man bedoeld die maar moet zien hoe hij zich erdoorheen slaat of hoe hij rondkomt met zijn geld. Jan Splinter symboliseert de man met het laagste inkomen, die bijstand geniet en dus tot de minimumloners behoort.
De uitdrukking is al erg oud (ze werd reeds opgetekend in 1971 in het West-Friese woordenboek ‘Mooi zoid’ van Jan Pannekeet), maar PvdA-fractieleider Marcel van Dam blies haar in december 1982 nieuw leven in. Hij gewaagde van Jan Splinter toen hij het minimabeleid van de regering-Lubbers bekritiseerde. De kleine man kreeg volgens het PvdA-kamerlid veel minder dan men hem wilde doen geloven. De laagste inkomensgroepen moesten - alweer volgens Van Dam - te veel inleveren in verhouding tot de hoogste. In 1983 dook de uitdrukking ook op in een strip van Jaap Vegter: `Als je voor een dubbeltje geboren bent, word je voor een kwartje verwend! En zo moet Jan Splinter door de winter.'

27 november 2009

Hebbeding.

Een ‘hebbeding’ is een aardig niemendalletje; iets dat weinig of geen nut heeft maar dat leuk is om te bezitten. Het woord zelf bestond al aan het begin van de twintigste eeuw, zij het in een iets algemenere betekenis. Köster Henke vermeldt het in zijn Zakwoordenboek van het Bargoens (1906), met als omschrijving `zaken'. In het Bargoens werd het overigens uitsluitend in de meervoudsvorm gebruikt.
Eind jaren zeventig van vorige eeuw dook `hebbeding' op in de huidige betekenis. Het werd in die zin voor het eerst gebruikt door Studio Bazar, als aanprijzing van speciale cadeautjes. Een synoniem is gadget. Eén enkele keer dook ‘hebbeding’ op als aanduiding van een seksueel aantrekkelijk persoon. In Vrij Nederland lazen we in de jaren tachtig over popicoon Madonna: “Feministen begonnen te schuimbekken omdat Madonna zich als een soort hebbedingetje aanbood aan de mannen en jongens in haar publiek.”

23 november 2009

Paparazzi.

Sinds 1997 kent iedereen de term ’paparazzo’ voor een persfotograaf die op verbeten wijze  privékiekjes maakt. Deze plaatjes van prominenten worden vervolgens voor veel geld verkocht aan de sensatiepers (Duitsers hebben hiervoor het mooie woord ‘Regenbogenpresse’, Engelssprekenden hebben het over de ‘yellow press’).
Op 31 augustus 1997 kwam Diana, prinses van Wales, bij een auto-ongeluk in Parijs om het leven. De achtervolgende paparazzi kregen destijds de schuld. Als kwijlende sint-bernardshonden hadden ze achter haar aan gezeten. Het was niet de eerste en ook niet de laatste keer dat allerlei beroemdheden problemen hebben met opdringerige persfotografen. Kroonprins Willem-Alexander lust hen blijkbaar ook rauw. Begin oktober bepleitte de prins samen met zijn gemalin meer respect voor hun privacy. Het echtpaar prefereert immers zorgvuldig geregisseerde ‘Kodakmomentjes’. Plaatjes schieten kan enkel nog op aanvraag.

Waarom is ‘paparazzo’ tegenwoordig toch zo’n scheldwoord geworden? Dit Italiaanse woord verwijst naar de gelijknamige fotograaf die voortdurend Anita Ekberg achtervolgt in de film ‘La dolce vita’ uit 1960 van Federico Fellini. Die prent geeft een evocatie van de Italiaanse hogere kringen vanuit het standpunt van een meedogenloze fotograaf.
Deze ‘signore Paparazzo’ ziet de wereld door zijn éénogige spiegelreflexcamera. Volgens de ene bron komt zijn naam uit een Italiaans dialect voor een ‘zoemend insect’, volgens een andere bron was het Fellini’s scenarist, Ennio Flaiano die ‘paparazzo’ aan de beroemde regisseur zou gesuggereerd hebben. Zelf had hij deze ‘prestigieuze’ naam (zoals hij het noemde) ontleend aan ‘Salle Rive dello Ionio’ (uit 1957), een Italiaanse vertaling (door Margherita Guidacci) van George Gissing’s reisboek ‘By the Ionian Sea’ (1901). Daarin zou een personage de naam dragen van Coriolano Paparazzo.
Het woord heeft in Italië altijd negatieve associaties opgeroepen. Vooral het suffix zou erg pejoratief klinken in de taal van Dante. Niet alleen doet het denken aan het Italiaanse ‘razzo’ (raket) maar eveneens aan het schuttingwoord ‘cazzo’ (mannelijk lid).
Dacht u dat we met de ‘paparazzi’ het ergste van de schandaalpers hebben meegemaakt? Vergeet het, de nieuwste trend wordt geleverd door de ‘scumerazzi’, waarbij het Engelse voorvoegsel ‘scum’ slaat op ‘uitschot, schorem, tuig van de richel’. Wat ruist daar in het struikgewas? De scumerazzi. 

18 november 2009

Cool, paps!


Wie graag naar blues of jazz luistert, een voorliefde heeft voor film noir en verder regelmatig pulpromannetjes leest, zal dit boek verslinden. Het bevat meer dan duizend woorden en uitdrukkingen, gebruikt ten tijde van de beatgeneratie. Voor de cultuurbarbaren en de jongere snaken citeer ik toch maar even Van Dale: “een groep jongeren in de VS van de jaren ‘50 van de twintigste eeuw die zich verzette tegen de burgerlijke moraal en door een verhoogde levensintensiteit (d.m.v. seks, drugs, jazz e.d.) tot kennis van de metafysische werkelijkheid probeerde te komen.”
Onderwerpen zoals seks, drank, drugs en muziek komen dan ook ruim aan bod. De auteur behandelt het taalgebruik van Engelssprekende jongeren (de hipsters, moochers, weedheads, bandrats, snowbirds enz.) tijdens de eerste helft van de vorige eeuw. De titel van het boek zou je naar de hedendaagse tienertaal kunnen vertalen met ‘gaaf, cool, vet’. Het gaat hier om een herziene uitgave (de eerste editie verscheen in pocketformaat in 2000 en viel nauwelijks op).
Deze tweede editie is in ieder geval prachtig geïllustreerd (met o.a. covers van pulpboeken en films uit de bewuste periode). Je zou het bijna een koffietafelboek noemen maar het is vooral een handig naslagwerk. Bij de meeste lemma’s vind je voorbeelden uit literatuur of liedjesteksten. Auteur, Max Décharné, heeft zijn huiswerk goed gedaan maar dit boek lezen voelt nergens aan als een straf. Een absolute aanrader voor wie blijven hangen is in de sixties.
Max Décharné: Straight from the fridge, dad. A dictionary of hipster slang. No exit press. ISBN 978-1-84243-288-4

15 november 2009

Huisje-boompje-beestje.

Tegenwoordig is huisje-boompje-beestje een cliché voor een kalm en ongestoord leventje.
Meestal wordt het gebruikt voor mensen die vasthouden aan de dagelijkse rituelen en zich op een voorspelbare wijze gedragen. Misschien is de uitdrukking ontleend aan het machinistenjargon. Daarin betekent huisje-boompje-beestje rijden eigenlijk ‘op zicht rijden’. Hierbij moet men zich oriënteren op de omgeving, waarbij men kijkt naar elementaire zaken als huizen, bomen en beesten.
In het boek Fokker G-1: de dubbelstaarts-jachtkruiser die een legende werd, uit 1981, wordt huisje-boompje-beestje echter met een ander jargon in verband gebracht. Volgens de auteur, Hugo Hooftman, maakte de Nederlandse luchtmacht in de oorlogsdagen van mei 1940 op grote schaal gebruik van de Hu-Bo-Bé-techniek, het ‘huisje-boompje-beestje vliegen’. Dit hield in dat er rakelings over de grond werd gevlogen zodat bij wijze van spreken voor ieder huisje, ieder boompje en ieder beestje moest worden opgetrokken. Op die manier kon de vijand de toestellen moeilijk waarnemen.

10 november 2009

Milfs.

Je bent jong en je wilt wat! Een appetijtelijke oudere vrouw bijvoorbeeld.
Vergeet die populaire zegswijze over de oude bok en het groene blaadje. Tegenwoordig zijn de rollen omgedraaid. Anno 2009 willen gezonde jonge kerels maar al te graag het boek der schepping doornemen met een wat oudere en dus rijpere vrouw.
Vanuit Amerika komt het begrip ‘Milf’ overgewaaid. Voor wie nog niet is ingewijd: ‘Milf’ is een Engels acroniem voor: ‘mother I’d like to fuck’, vrij vertaald: een rijpere, seksueel aantrekkelijke vrouw (met alle lichamelijke kenmerken, dus ook euvels).
Ik weet het uit goed ingelichte bron, beste lezers: op pornosites zouden tienermeisjes en ‘college girls’ uit de categorie ‘barely legal’ reeds in populariteit voorbijgestreefd zijn door de ‘milfs’. Kranige besjes die ‘milfs’.
Het woord werd in 1995 voor het eerst opgetekend in het Amerikaanse blad Playboy maar kreeg vooral bekendheid dankzij de cult tienerfilm ‘American Pie’ (1999). Volgens de Oxford English Dictionary bestaat er een Amerikaanse band Milf, opgericht in 1991. De woordvoerders van die band verklaarden in de pers dat zij hun naam destijds ontleenden aan dit acroniem. Tot op heden werden echter geen bewijzen gevonden dat ‘milf’ voor 1995 werd gebruikt in hogergenoemde betekenis.
Bekende voorbeelden van ‘milfs’ zijn Demi Moore en Jade Jagger. Milf heeft een pornografische bijklank. Het woord wordt vooral gebruikt door jeugdige macho’s tijdens informele gesprekken of chatsessies. In de homogemeenschap komt de tegenhanger ‘DILF’ voor. De ‘d’ staat hier voor ‘daddy’. Je hebt ook nog de ‘gilf’: granny I like to fuck. Vuurwerk verzekerd!

08 november 2009

Fokkie en het zwarte goud.

Neen, dit is niet de titel van één of ander stripverhaal. Vandaag gaan we het hebben over koffie. Jaren geleden, toen het leven nog simpel was, hadden we het over een ‘bakkie troost’ (leut, slobber en noem maar op). Ja, zelfs de weinig politiek correcte term ‘negerzweet’ hoorde je wel eens. Die tijd is lang voorbij. Zucht….
Tegenwoordig zeggen mensen (lees: Belgen) die nog niet goed wakker zijn en moeilijk uit hun woorden kunnen komen vooral ‘fokkie’ i.p.v. koffie. Dat hebben we allemaal te danken aan reclamebureau
Duval Guillaume dat achter de laatste campagne van Douwe Egberts zit.
Die wil ons doen geloven dat Belgen oelewappers zijn. Ze haspelen medeklinkers door elkaar wanneer ze ’s morgens opstaan en naar hun dagelijkse portie ‘zwart goud’ verlangen.
Het woord ‘koffie’ krijgen ze niet over de lippen, wel ‘fokkie’. Tetteret, wat een geniale vondst! De reclamecampagne werd bedacht in 2005. Inmiddels heeft bijna iedereen de radiospots wel gehoord, vermoed ik. Die eindigt uiteraard met de slogan: 'Je bent er 's morgens pas helemaal bij na een kopje Douwe Egberts.'

Onlangs dook het woord ‘fokkie’ zelfs op in de Vlaamse telenovelle ‘LouisLouise’ (zonder dat iemand van Douwe Egberts daarom gevraagd had, als we de makers mogen geloven). En als het zo verder gaat mag de bedenker van de succesvolle slogan zijn scheet binnenkort verzilveren. ‘Fokkie’ werd nu ook opgenomen in het jaarboek 2010 van Van Dale, het voorportaal van het echte woordenboek zeg maar. Douwe Egberts wil hiermee naar de hoofdprijs gaan, dat is duidelijk. Ze hebben dan ook kosten noch moeite gespaard.
Een internetpetitie om het woord in de grote Van Dale te krijgen heeft 8.000 handtekeningen opgeleverd. Op de sociale netwerksite Facebook konden zelfs meer dan 10.000 fans opgetrommeld worden. Uiteindelijk is hun actie gelukt (althans voor een deel). Indien ‘fokkie’ een paar jaar op rij in het Jaarboek taal komt te staan, wordt het ook opgenomen in de dikke Van Dale, ongetwijfeld de natte droom van iedere reclamemaker.
Herinneren we ons de uitdrukking ‘derde oksel’, een eufemisme voor een bepaald vrouwelijk onderdeel. Ze werd in de jaren zeventig bedacht door copywriter Jan van Lieshout, destijds werkzaam bij het reclamebureau Trend. ‘Derde oksel’ dook vooral op in advertenties over intiemspray (oorspronkelijk voor de vaginale deodorant Bidex). Ik stel vast dat Van Dale het woord inmiddels geschrapt heeft, ondanks het feit dat je het eufemisme nog geregeld tegenkomt. Onlangs nog in een recente roman van P.F. Thomése.
Iedere scheet is natuurlijk goud waard maar aan ‘fokkie’ zal ik moeilijk kunnen wennen. Fokkie. Hoe verzinnen ze het? Ik word er niet warm of koud van. Van al te enthousiaste reclamemakers, verlos ons Heer!


05 november 2009

Leuke dingen voor de mensen.


Fuckerdefuck, Van Dale heeft er weer een broertje (of zusje) bij! De nieuwste loot aan de stam heet ‘Modern uitroepenwoordenboek’. In dezelfde reeks verscheen eerder o.a. het ‘Modern eufemismenwoordenboek’ en onlangs het ‘modern Bargoens Woordenboek’ (waarover later meer).
Uiteraard is dit een boek dat ik zelf graag had willen schrijven, maar samensteller Ton den Boon heeft het meer dan uitstekend gedaan. 848 ingeburgerde uitroepen werden hier verzameld (voornamelijk Nederlandse maar ook enkele ontleend aan vreemde talen), uitroepen die allerlei emoties (zowel positieve als negatieve) uitdrukken. Ook vloeken en bastaardvloeken (potverdriedubbeltjes e.d. ) vallen onder deze noemer. De term ‘uitroep’ werd dus tamelijk breed opgevat.
Citaten uit kranten en boeken verhogen de leesbaarheid want ze verhelderen vaak de functie van de uitroepen. Voor hetzelfde geld had dit een woordenboek van ‘catchphrases’ (populair geworden kreten van stripfiguren, televisiefiguren, cabaretiers enz.) kunnen zijn, maar daarvoor ontbreken er teveel bekende kreten. Het Modern Uitroepenwoordenboek is ook moeilijk compleet te noemen. Zo mis ik bijvoorbeeld: krijg nou het apezuur! (wel vermeld zijn o.a. krijg de klere; krijg het heen en weer; krijg nou de tering); alle apies op een stokje (het woordenboek geeft wel: alle duivels; alle mensen en nog een dozijn andere); donder en bliksem; krijg nou ballen (of: tieten); ik vreet een bezem; kanone; dag meneer de koekepeer; kutjebef; mijn laars; mensenkinderen; o jee, keizersnee; pinda, pinda, lekka lekka, en zelfs ‘helaas pindakaas’ staat er niet in (wat ik erg betreur).
Hier en daar mis ik ook wat verdere uitleg (over de herkomst), bijvoorbeeld bij: ‘de dood of de gladiolen’; ‘pik in, ’t is winter’ en ‘stop de persen’. Maar laat dit het plezier niet vergallen want het Modern Uitroepenwoordenboek is een schitterend boek: amusant, leerrijk en verrassend. Dit zijn nou leuke dingen voor de mensen! Oh ja, het woordenboek telt 224 pagina's en kost 22,50 euro (sapperdeflap).

01 november 2009

Geocaching.

Geocaching staat nog niet in Van Dale maar is sinds 2000 ingeburgerd (althans volgens de Oxford English Dictionary). In de Nederlandstalige pers en op internet lees je wel eens over ‘geocoaching’ maar de juiste term is wel degelijk ‘geocaching’, een samenstelling van ‘geo(graphy)’ en ‘cache’ (schat).
Het gaat om een hippe combinatie van internet en buitensport, van wandelen, zoeken en puzzelen. Ergens in de natuur is een schat verstopt (in een holle boom, onder een bruggetje) en met behulp van een hand-GPS moeten de deelnemers (in groepjes van ongeveer 5 personen) proberen deze schat terug te vinden. Het elektronisch apparaatje geeft in lengte- en breedtegraden de plaats aan. Allemaal goed voor de teamspirit dus.
Het roept beelden op van woudlopers die gewapend met kaart en kompas door bergen en bossen stappen. Alleen zijn de beoefenaars meegegaan met de technologische vooruitgang. Het kompas is nu vervangen door een gps-ontvanger. Deze hedendaagse vorm van schatzoeken is een ware rage geworden onder computernerds en overjarige padvinders.
Wellicht weten ze het niet maar in feite hebben ze dit allemaal te danken aan oud-president Bill Clinton. Hij tekende in 2000 een wet waardoor iedere bezitter van een GPS-apparaat (Global Positioning System) signalen mag ontvangen van het Amerikaanse ministerie van Defensie. Tevoren mocht dit navigatiesysteem enkel gebruikt worden voor militaire doeleinden. Ondertussen is het populair geworden bij elke outdoor-fanaat.
Een ‘geocacher’ is dus iemand die voor de sport schatten (allerlei snuisterijen en een gastenboekje, veel stelt het niet voor) verstopt, er de GPS-coordinaten van noteert, en andere schatten aan de hand van zulke coordinaten gaat zoeken.
Tegenwoordig heb je als volwassene een excuus nodig om nog eens in een boom te mogen klimmen. Bij ‘geocaching’ kan dit weer. Wie het wil kan het kind in zichzelf nog eens bovenhalen.

29 oktober 2009

Ambutaxi.

Zo wordt in Nederland een medische taxi genoemd. Het woord is een samensmelting van 'ambulance' en 'taxi' en kwam in 2002 voor het eerst in het nieuws. Aan dit voertuig werden nl. bijkomende eisen gesteld voor wat betreft de herkenbaarheid. Een dergelijke taxi mocht slechts een blauw zwaailicht en sirene voeren indien de inzittende arts met spoed naar een hospitaal moet. De 'ambutaxi' moet ook geel van kleur zijn.
Het woord staat nog niet in Van Dale, ook niet in de Jaarboeken taal 2007 en 2008.

22 oktober 2009

Nieuwetijdskind.

Sinds enkele jaren duikt het fenomeen van het nieuwetijdskind op in de medische, onderwijs, therapeutische- en spirituele wereld.
Het gaat om een probleemkind, een hyperactief en autistisch kind. Het heeft regelmatig last van woede- en verdriet-aanvallen, is vaak bang en onrustig, soms ook dominant en allergisch, kan ook moeilijk aarden. Het fenomeen werd genoemd naar het 'Platform Nieuwetijdskinderen', een new agebeweging die in 1997 werd opgericht en waar ondertussen tweehonderd pedagogen, psychologen en docenten dit soort kinderen en hun ouders een helpende hand bieden. Een aantal Nederlandse scholen biedt tegenwoordig speciale programma's aan voor nieuwetijdskinderen.
Het woord 'nieuwetijdskind' heeft een positieve klank. Daardoor voelt het kind zich geen probleemkind meer. Door hun kind spiritueel of paranormaal te noemen, kunnen de ouders de situatie van hun kind beter aanvaarden. Niet iedereen kan zich echter vinden in de 'zweverige new-agebenaming'. Dat bewijzen althans de heftige discussies op het Internet.

18 oktober 2009

Alles cool in Kabul?


‘Die Sprachnudel’
is een website gericht op Ego-Googelaars, Fashionista’s, Geeks, Techies en aanhangers van verschillende levensstijlen. Wat niet in Duden (de Duitse tegenhanger van Van Dale) staat, vind je hier terug.
Wie altijd dacht dat de Duitse taal zaaddodend is, moet maar eens een kijkje nemen in deze database. Handiger voor op reis is het boekje dat vorig jaar op de markt verscheen bij Knaur Taschenbuch Verlag. Kost ongeveer 8 euro maar dan heb je ook wat.
Hierin staan de meeste woorden en uitdrukkingen gebundeld. Ik zeg met nadruk ‘de meeste’ want geregeld worden op de website nieuwe woorden toegevoegd en becommentarieerd door anderen. Het boekje vermeldt ook voorbeeldzinnen en waar nodig de herkomst. Uiteraard wordt hier een blik modewoorden opengetrokken maar er zijn flink wat termen en uitdrukkingen die in het Duits al geruime tijd meegaan en die ons eveneens bekend in de oren klinken (Absurdistan; chillen; dissen; Elefantenleggings; Technostress). Heel wat spierballentaal ook.
Ju, ju wat een grof volkje zijn die Duitsers toch! Een condoom wordt door onze oosterburen een ‘Lümmeltüte’, een ‘Nahkampfsocke’, een ‘Piedeltüte’, een ‘Pippi Langstrumpf’ of een ‘Rammelbeutel’ genoemd. Wat wij wel eens schertsend een ‘boerenmestwagen’ (BMW) noemen, wordt in het Duitse slang een ‘Bauernporsche’ genoemd. Een Volvo wordt dan weer een ‘Ikea-Porsche’ en een Ford Capri een ‘Maurerporsche’. Een mooie vondst is de ‘Pygmaënporsche’ (benaming voor de Smart). Ons ‘bouwvakkersdecolletée’ (of bildecolletée) is wellicht een vertaling van het Duitse ‘Bauarbeitendekolleté’. En zoals eerder op dit weblog werd aangetoond, werd ‘aarsgewei’ eveneens ontleend aan het Duits (Arschgeweih).
Voor een ‘interieurverzorgster’ hebben onze oosterburen ook een paar mooie benamingen: ‘Parketmasseuse’en ‘Raumkosmetikerin’. ‘Effe je kleine broer de hand schudden’ klinkt zo in de taal van Goethe: ‘dem kleinen Mann die grosse Welt zeigen’, ‘Kaiser Wilhelm die Hand schütteln’. En als je wil weten of alles goet gaat met Heinrich of Annelore dan vraag je tegenwoordig gewoon: ‘Alles cool in Kabul?’, ‘Alles fit im Schritt?’ of ‘Alles glatt in Islamabad?’
In de hoop natuurlijk dat je geen optater krijgt. Want met Duitsers valt niet te lachen. Dat weten we sinds begin vorige eeuw.

14 oktober 2009

Dweilen met de kraan open.

Uit de jaren zeventig van vorige eeuw dateert de uitdrukking dweilen met de kraan open.
Bedoeld wordt: ‘nutteloos werk doen’, ‘de gevolgen van een kwaal bestrijden in plaats van de kwaal zelf’.
Deze uitdrukking, die ontstond in politieke kringen, werd mogelijk bedacht door oud-premier Biesheuvel of door B.J. Udink, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening in het kabinet-Biesheuvel. Uit de Leeuwarder Courant van 24 november 1971 komt het volgende citaat: “Dat zei minister-president Biesheuvel woensdagmorgen tijdens de algemene beschouwingen in de Eerste Kamer. Hij wees er ook op dat reeds een programma van aanvullende werken voor uitvoering is vrijgegeven. Eind oktober werkten daarop al 1574 man. Hij vond het uitgeven van meer aanvullende werken waarvan de uitvoering inflatoir moet worden gefinancierd ‘dweilen met de kraan open’.”

09 oktober 2009

Het bountygevoel.

Een zwarte (Afrikaan, Surinamer of Antilliaan) die zich gedraagt als een blanke of die met de blanke maatschappij heult, wordt door zijn rasgenoten wel eens smalend een ‘bounty’genoemd. Dit is een mooi voorbeeld van een merknaam die zich ontwikkelt tot scheldwoord.
Het Engelse woord verwijst naar de Bounty Bar, het handelsmerk voor een chocoladereep met kokosvulling. De term impliceert dat dergelijke mensen van buiten donker zijn als de chocolade en van binnen blank als de kokos.
Een ‘bounty’ wordt beschouwd als iemand die zijn afkomst verloochent. Hij of zij levert al eens kritiek op etnische minderheden en zoiets valt onder rasgenoten niet altijd in goede aarde.
Ayaan Hirsi Ali (van Somalische afkomst maar in Nederland gekend als feministe en politica) werd ooit door Imam Abdullah Haselhoef als ‘bounty’ bestempeld.
In ons taalgebied dook het scheldwoord voor het eerst op begin jaren negentig. Minder bekende synoniemen zijn ‘damneger’ en ‘schaakneger’. ‘Bounty’ staat sinds 1999 in de Grote Van Dale. Het Marokkaanse equivalent is de ‘ptata’ (aardappel).
Gelukkig heeft bounty ook positieve associaties. Een zonovergoten tropisch eiland, met witte stranden en veel palmbomen, wordt in de reissector wel eens een ‘bountyeiland’ genoemd. Een droomeiland kortom. Het woord verwijst ook hier weer naar de chocoladereep, die op dergelijke eilanden genuttigd wordt, tenminste als we de reclame mogen geloven. Je zou er een ‘bountygevoel’ of vakantiestemming bij krijgen.

05 oktober 2009

Maatje pink.

'Maatje pink' is al lange tijd een eufemistische uitdrukking voor een klein geschapen mannelijk lid. Tegelijkertijd is het een allusie op impotentie. In het Engels gebruikt men hiervoor de aanduiding 'small meat', vaak gesymboliseerd door een opgeheven pink. Het Nederlandse eufemisme werd vooral populair gemaakt door het (cabaret)duo Van Koten en De Bie en is voor het eerst te horen op hun elpee Hengstenbal uit 1977.
In de Geïllustreerde Encyclopedie van de Sexualiteit (1977-1980) wordt 'maatje pink' opgenomen in een lijst van seksueel slang, met als synoniemen 'antiek hangertje' (eigenlijk een Bargoense term voor een man op leeftijd en vandaar ook voor een impotent iemand), 'Friese staartklok' (eveneens Bargoens voor een impotent persoon), 'de kaas is op, keienkijker, slapjanus, slappe was voor de deur' en 'zandruiter'. Vlamingen zeiden in de negentiende eeuw wel eens: ‘Zijn wijzer staat op half zes.’ En in vroeger tijden noemde men een impotente man 'verkoud van nature' of 'uitverkocht'.
Ja, onze voorouders draaiden er omheen als een kat om de hete brij. Allemaal mooie eufemismen om de dingen maar niet bij hun naam te hoeven noemen.

01 oktober 2009

Aap op de rug.

Een aap op de rug hebben betekent ‘verslaafd zijn aan verdovende middelen’. Deze uitdrukking is een letterlijke vertaling uit het Engels, waar to have a monkey on one’s back tot het slang van druggebruikers behoort.
De verslaving of de zucht naar drugs wordt hier gezien als een last die men met zich meezeult.
De apenmetafoor komt ook in andere talen voor: in het Frans bestaat avoir le guenon (een guenon is een vrouwtjesaap), in het Duits einen Affen (sitzen) haben. Het Duits kent ook den Affen füttern voor ‘de zucht naar drugs bevredigen’.
In het Afrikaans is aap overigens een slangwoord voor ‘dagga’, zoals drugs in Zuid-Afrika vaak genoemd worden. Bij uitbreiding kunnen ook andere dingen die als een vreselijke last worden ervaren een aap op de rug (en in het Engels a monkey on one’s back) worden genoemd.

28 september 2009

Van ambush marketing tot yupsters.


Televisie en internet vormen voor een belangrijk deel onze blik op de wereld. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat beide domeinen jaarlijks een groot aantal nieuwe woorden en uitdrukkingen leveren. Dat blijkt nog maar eens uit een Engels neologismenboekje uit 2006.
‘I smirt, you stooze, they krump….’ is de ietwat raadselachtige titel.
Voor wie hier geen chocola van kan maken: ‘smirten’ is een combinatie van roken en flirten op de stoep van een kroeg. Het werkwoord ‘to stooze’ betekent (volgens Van Dale) het met creditcards tegen 0% rente lenen van geld, waarbij het geleende bedrag wordt uitgezet tegen een hoge rente. ‘To krump’ wordt gebruikt voor dansen (op een snelle en agressieve manier), waarbij de deelnemers (met geverfd gelaat) een gevecht nabootsen.
De populariteit van een zoekmachine zoals Google zien we opnieuw bevestigd. De voorbije jaren doken er alweer drie nieuwe samenstellingen met dit woord op, nl. googlearchy, google bombing en Googlejuice. De auteurs van het boekje, J. Crozier, C. Mckeown & E. Summers, weten de tijdgeest bijzonder goed te vatten. Zij presenteren ons de woordenschat van de éénentwintigste eeuw. En dat betekent dat heel wat termen en uitdrukkingen nog niet werden opgenomen in de gerenommeerde Engelse naslagwerken.
Ik kan het niet laten nog wat krenten uit de pap te halen. Andere nieuwkomers zijn o.a. ‘Berliner’: de benaming voor een bepaald krantenformaat, dat het midden houdt tussen een tabloid en een krant van groot formaat. Voor het eerst geïntroduceerd door Berlijnse kranten (vandaar de naam). ‘Big Pharma’ is een informele verzamelterm voor de farmaceutische multinationals. ‘Brokeback marriage’ slaat op een huwelijk waarin één van de partners homoseksueel is of een homoseksuele relatie achter de rug heeft. Een zinspeling op de populaire film uit 2005 Brokeback Mountain. ‘Cotton-wool generation’ slaat op de generatie overbeschermde jongeren (afgezet en opgepikt aan de school, uit de gevaarlijke buurten gehouden). Fragiele dingen worden immers ter bescherming in katoenwol gewikkeld.
Met de ‘thumb generation’ wordt dan weer de generatie jongeren bedoeld die is opgegroeid met mobiele telefoons en videospelletjes. Je hebt ook nog de ‘wristband generation’: de leeftijdsgroep die graag liefdadige doelen steunt door het dragen van kleurenambandjes.
Uit de erotische sfeer komt de ‘milf’: een vrouw van middelbare leeftijd die seksueel aantrekkelijk is. Het woord is afgeleid van: ‘mother i’d like to fuck’. Een ‘muffin top’ is dan weer een vetrolletje, wat wij eufemistisch ‘een zwembandje’ noemen. Een aardige vondst is ‘Londonistan’: Londen beschouwd als basis voor aanhangers van de radicale islam. Het gaat hier om een samenstelling van Londen en ‘stan’ (een achtervoegsel dat in veel moslimlanden gebruikt wordt in de betekenis van ‘land’. De letter ‘i’ werd hier tussengevoegd naar analogie van landen zoals Pakistan, Afghanistan enz. Bijna alle woorden in dit boekje worden opgeleukt (pimped up) met een citaat uit de pers.
J. Crozier, C. Mckeown & E. Summers: I smirt, you stooze, they krump…. Harper Collins Publishers Limited. 2006. 184 p. ISBN 978-0-00-721176-0. Prijs: € 13,20.

24 september 2009

Podcasts.

Je bent oud en je wilt wat. Sinds ik de trotse bezitter van een iPod ben, hebben podcasts geen geheimen meer voor mij.
Mocht dit Hebreeuws zijn voor u, beste lezer: een ‘podcast’ is een digitale opname, omgezet (of geconverteerd in computerjargon) naar het formaat van een audiobestand (meestal MP3) zodat het kan geplaatst worden op een website, waarna iedereen het kan downloaden op zijn computer (in een mediaplayer zoals iTunes). Vervolgens kan dit bestand op een digitale muziekspeler worden gezet.
Zoals u wellicht reeds kunt vermoeden is dit woord een samentrekking van de Engelse woorden ‘pod’ (zoals in iPod) en ‘cast’ (verkorting van het Engelse werkwoord ‘to broadcast’).
De term werd in 2004 gelanceerd door de Britse journalist, televisiemedewerker en fotograaf Ben Hammersly. Aan de wieg van het concept staat evenwel de Nederlands-Amerikaanse zakenman en presentator Adam Curry (tussen 1988 en 2009 de halve trouwboek van Patricia Paay). In de zomer van 2004 zette hij een eenvoudig Apple-scriptje op zijn website. Hiermee bewees hij dat het concept - automatisch content downloaden en transporteren naar een iPod - werkte. Hiermee hoopt hij de concurrentie met de radio aan te gaan. Dergelijke van te voren opgenomen uitzendingen komen nu overal op het internet ter beschikking.
Radioprogramma’s in een dergelijk compact formaat uitzenden wordt ‘podcasten’ genoemd.

17 september 2009

Blinde Maupie.

In de roman Zionoco (1995) van Leon de Winter is te lezen: “Hopelijk zouden ze het belang ervan (ach, hij wist dat zoiets niet bestond, een belang dat boven het directe en persoonlijke uitsteeg, iets van kosmische omvang – laat me ’t maar zien, zei Blinde Maupie) onderkennen en de brief aan Emma overhandigen.”
Blinde Maupie is een Bargoense zegswijze die sinds de jaren zeventig van vorige eeuw in naslagwerken te vinden is. Het is een uiting van ongeloof, die meestal aangevuld wordt met ‘zien moet ik het’ of ‘eerst zien, dan geloven’.
De zegswijze wordt vaak ook begeleid of vervangen door het leggen van een vinger onder het oog, waarbij de huid iets naar beneden getrokken wordt en de blik veelbetekenend is: ‘Vertel mij wat.’
De Maupie waarvan sprake is, was eigenlijk een Amsterdams-Joodse straathandelaar van voor de Tweede Wereldoorlog. Zijn levensloop werd beschreven door onder anderen Meyer Sluyser in Als de dag van gisteren (1958). Als iemand iets zei wat hem ongeloofwaardig voorkwam, zei blinde Maupie: ‘Dosj mosj ich erst seh’n.’

11 september 2009

Stop de persen.

Een bekend journalistencliché is ‘Stop de persen’. Het geeft aan dat er schokkend nieuws of wereldnieuws is, oftewel nieuws dat belangrijk genoeg wordt geacht om er de krantenpers voor stil te leggen, zodat er nog een artikel kan worden toegevoegd.
De uitdrukking, een vertaling van de Engelse kreet ‘Stop the presses’, werd in het Nederlands al opgetekend in 1973, maar is mogelijk nog ouder.
Ze werd vooral populair in de jaren negentig, toen Tom Egbers bij Veronica het mediaprogramma Stop de Persen presenteerde.
‘Stop the presses!’ werd al in 1952 gebruikt door Humphrey Bogart in de film Deadline USA. In een andere film, The paper (1994), doet Michael Keaton in de rol van Henry Hackett ook zo’n uitroep, net als Jonathan Pryce als de mediatycoon in de James Bondfilm Tomorrow never dies (1997).

07 september 2009

Bij de baard van de profeet.


Het zal je maar overkomen. Je zit in Frankrijk (of Wallonië) en je wordt opeens uitgemaakt voor rotte vis.
De eerste reactie: ‘Wat heb ik nou aan me fiets hangen?’ want dat Franse Bargoens is niet altijd even duidelijk.
Gelukkig is er nu een handig zakwoordenboekje: past precies in je binnenzak en het bevat de voornaamste Franse scheldwoorden. Altijd handig om bij de Franstalige medemens mee op de koffie te komen. Je leert ook daadwerkelijk wat. Bijvoorbeeld dat ‘Bachi-bouzouk’ het geliefde scheldwoord is van kapitein Haddock (Kuifje en de Krab met de Gulden Scharen), dat je de term ‘bicot’ beter niet tegen een Arabier kunt gebruiken, dat een vrouw met veel minnaars wordt aangeduid als een ‘garage à bite’. Wij zouden het hebben over een ‘afgelikte boterham’. Voor iedere gelegenheid is er wel een scheldwoord te vinden. Je zult nooit meer met de mond vol tanden staan wanneer iemand je (in het Frans) de oren wil wassen. Bij de baard van de profeet of ‘Par la barbe du prophète’ zoals onze geliefde kapitein Haddock zou zeggen. Lastige Walen kunt u meteen afpoeieren met het gezegde ‘Va tchîre è Moûze!’, hetgeen letterlijk betekent: ‘ga eens kakken in de Meuse’ of in ietwat beschaafder termen: ‘Rot op!’Dit boekje kost nog net geen 3 euro, is perfect draagbaar en je steekt er heel wat van op. Voor wie er pap van lust:
Marc Lemonier: Insultes, gros mots et injures. ISBN: 978-2-352-88278-7

03 september 2009

De mosh pit.

Ik hou van heel wat muziekjes, zong Raymond van het Groenewoud ooit.
Hetzelfde geldt voor mij, al wil ik dat meteen nuanceren. Van schlagers moet ik meteen de pot op en ‘heavy metal’ is ook niet meteen mijn ding. Ik vraag me zelfs af of er veel 49-plussers te vinden zijn die van deze oorverdovende, repetitieve vorm van hardrock houden.
Nee, geef mijn portie maar aan Fikkie. Maar misschien klinkt het voor generatiegenoten wel als muziek in de oren.
In het Amerikaans-Engels worden met ‘heavy metal’ zware wapens aangeduid, vooral tanks.
Wij kennen dit woord uitsluitend in de betekenis van erg luid gespeelde vorm van hardrock met steeds weer herhaalde riffs. De term werd ontleend aan het boek Nova Express uit 1964 van de Amerikaanse auteur William S. Burroughs. De teksten kunnen erg macho-seksueel getint zijn of vaag doen denken aan een mythologisch militarisme.
In die betekenis komt het woord al voor sinds ca. 1968. Deze muziekvorm was uitermate populair in de jaren tachtig van vorige eeuw en is dat nog steeds. De term wordt tegenwoordig vaak afgekort tot ‘metal’ en duikt op in allerlei samenstellingen zoals ‘metalhead’ en ‘metalfreak’. Dansen op metalmuziek wordt in het jargon ‘moshen’ genoemd (afgeleid van het Engelse werkwoord ‘to mosh’, de oorsprong van dit werkwoord is volgens de Oxford English Dictionary obscuur te noemen).
‘Te gekke muziek om te moshen’ stond ooit in het vakblad Metal Hammer (januari 1988).
De ‘mosh pit’ is het gebied vlak voor het podium waar zich al de wild op en neer springende dansers bevinden.
Laat het duidelijk zijn: ik heb niets tegen heavy metal. Sommige van mijn beste vrienden zijn metalheads. Zelf hou ik het liever bij folk, jazz, pop, hiphop, noem maar op. Zelfs een vleugje klassiek kan ik op tijd en stond smaken. Maar nu even tijd voor contemplatie.

30 augustus 2009

DNA-douche.

De oplossing tegen winkeldiefstallen lijkt gevonden. Alleen moet één en ander nog uitgetest worden.
Eind 2008 kregen ondernemers uit Amsterdam-Zuid een apparaatje dat boven hun winkeldeur moet bevestigd worden. Wanneer de overvallers de winkel verlaten worden ze ondergespoten met een onzichtbare chemische stof. Die stof bevat een unieke dna-code. Hiermee kan de politie dan aantonen dat een verdachte in de winkel is geweest. ‘Dievenpoeder’ wordt het in de volksmond al genoemd. De politie heeft het over een ‘DNA-douche’.
De spray is niet afwasbaar en blijft ongeveer een week zitten. Met behulp van een UV-lamp kunnen de handhavers van de wet zien dat iemand besproeid is. Met speciale apparatuur kan vervolgens de code gelezen worden. In Rotterdam en Amsterdam wordt volop geëxperimenteerd met dit nieuwe beveiligingssysteem. Al meent de politie dat detectiepoortjes, alarminstallaties en videobewaking nodig blijven.

24 augustus 2009

Broodje aap.

Van sommige verhalen vraag je je weleens af of ze echt gebeurd zijn of dat ze thuishoren in de categorie ‘broodje aap’.
Voor de Vlaamse lezers die wellicht minder vertrouwd zijn met deze in Nederland meer ingeburgerde term: dit is de ietwat grappige benaming voor een moderne sage of stadslegende. Vaak gaat het om een gruwelijk volksverhaal dat rondverteld en aangedikt wordt (met variaties; de attributen willen wel eens veranderen).
Nooit is duidelijk is of het nu waar of niet waar is, omdat het juist logisch opgebouwd lijkt. Het ‘broodjeaapverhaal’ speelt in op universele angsten en duikt over de hele wereld op als een soort mythe. In de kroeg en op verjaardagen zijn dergelijke verhalen dan ook erg populair.
Een bekende mythe is deze: iemand werd op het toilet bedwelmd met chloroform. Vervolgens werd hij ontdaan van zijn nieren en na een week in het park achtergelaten.
Ook populair is deze theorie: bevrucht een apenvrouwtje met menselijk sperma, en ziedaar de wandelende missing link in de evolutieleer. Serieuze onderzoekers lachen hiermee maar dergelijke verhaaltjes prikkelen blijkbaar de fantasie (van bijvoorbeeld filmers).
Volgens sommige wetenschappelijke onderzoekers zijn deze `moderne sprookjes' goed, omdat je er `streetwise' van zou worden.

De benaming ‘broodje aap’ verwijst naar de titel van een boek van de Nederlandse schrijfster (van Amerikaanse afkomst) Ethel Portnoy (Broodje aap. De folklore van de postindustriële samenleving, 1978), in 1992 gevolgd door ‘Broodje Aap met’.
De neerlandicus Peter Burger trad in datzelfde jaar in het spoor van Portnoy door een gelijkaardige bundeling van `moderne sagen' uit te brengen: ‘De wraak van de kangoeroe’.
In de Angelsaksische wereld noemt men dit soort verhalen een ‘urban legend’ of een ‘foaf’ (een samentrekking van ‘friend of a friend’: (een verhaaltje) doorgegeven door de ene vriend aan de andere). Deze laatste term is een bedenksel van de Ierse auteur Rodney Dole. Hij gebruikte de uitdrukking voor het eerst in 1978 in zijn boek over hedendaagse stadslegendes: ‘The tumour in the whale’.

20 augustus 2009

Duitse jeugdtaal.


Duden, de Duitse tegenhanger van Van Dale, komt in het najaar met een woordenboek over de Duitse ‘Szenesprachen’. Onze oosterburen hebben blijkbaar iets met jeugdtaal want om de twee à drie jaar verschijnt er wel een naslagwerkje rond het taalgebruik van jongeren. Sedert maart 2009 staan er al heel wat bijdragen (1.585 om precies te zijn) op een internetportaal:
http://www.duden.de/deutsche_sprache/szenesprachen/ .
Een paar kersen uit de taart: Eurodance; Dubstep; Kaltgetränk; aufkitschen; Schwachmane; Politclown; Generation Praktikum. Alles werd mooi gerangschikt onder een bepaald thema: Essen & Trinken; Beauty & Fashion; Musik & Popkultur; Lifestyle & Wohnen; Computer & Technik enz. De mooiste woorden en uitdrukkingen worden nu door Duden gebundeld. Te koop voor een scheet en drie knikkers (€ 15,40). Waar blijft Van Dale met een gelijkaardig boek?
Duden - Das neue Wörterbuch der Szenesprachen. Paperback. 192 p.
ISBN-10: 3411710926
ISBN-13: 9783411710928

14 augustus 2009

Retrotalk.


Weet iemand nog wat ‘ping pongdiplomatie’ betekent en waar het ‘Stockholm syndroom’ naar verwijst? Zijn veel van de geschiedenislessen uit het middelbaar onderwijs stilaan van je harde schijf gewist, vrees niets: je hoeft niet meteen terug naar school!
Er bestaan goede boeken om het geheugen weer op te frissen. Voor elke Amerikaan die in een intellectuele conversatie ook wel eens een scheet wil laten, is er nu het prachtige boek ‘I love it when you talk retro’. Europeanen met een gevorderde kennis van het Engels kunnen echter meegenieten.
Retrotermen zijn veel voorkomende woorden en uitdrukkingen, waarvan de herkomst vaak vergeten is. Deze termen zitten nog wel in het collectieve geheugen maar weinig mensen weten waar ze vandaan komen. Het zijn verbale fossielen die verankerd zitten in de (Amerikaans-)Engelse conversatie. Voor sommige lezers (waarvan de moedertaal het Engels is) geeft de auteur wellicht wat teveel elementaire kennis mee.
Een greep uit het aanbod: pink elephant; Casanova; bimbo; Jack the Ripper, man-bites-dog, tabloid, gonzo journalism, Stepford Wives, Dr. Strangelove, Rambo, Kodak moment, 64000 dollar question (bij ons: de hamvraag), butterfly effect.
Dit is geen hap-snap-klaarboekje. Er wordt ook geen blik modewoorden opengetrokken. Heel wat begrippen zijn ook bij ons gekend. Auteur Ralph Keyes neemt ons mee op een intrigerende en verhelderende reis doorheen het fenomeen dat ‘retrotalk’ wordt genoemd. Een aanrader voor taalfreaks.

Ralph Keyes: I love it when you talk retro. St. Martin’s Press. New York 2008 ISBN 0-312-34005-2

09 augustus 2009

Basjiboezoek.

Ooit gehoord van een ‘basjiboezoek’ of een ‘baziboezoek’(er bestaan nog andere schrijfwijzen)?
Ik ook niet, tot ik het woord tegenkwam in het boek ‘Vincent en Astrid van Gogh verdwijnen in een korenveld’ (uit 1977) van de Gentse kunstenaar, acteur, auteur (en nog een heleboel meer) Pjeroo Roobjee: “Laat af, zoon van een ongetrouwde vader. Laat dat, debiele baziboezoek! Wafelijzer!”

‘Basjiboezoek’ is een scheldwoord voor een onbeschaafd persoon, een barbaar. Meestal is het van toepassing op een buitenlander. Het is ook één van kapitein Haddocks favoriete schimpscheuten, zowel voor een rijke parvenu als voor een zondagsrijder.
Eigenlijk slaat het op een door de sultans gerekruteerde huursoldaat in het Ottomaanse leger. Letterlijk betekent dit Turkse woord ‘slecht hoofd, dwarskop’. De Basji-Boezoeks stonden bekend als uitermate wreed en afschrikwekkend (tijdens de Balkanoorlogen onderdrukten ze jarenlang de Bulgaarse bevolking). Het Militair Woordenboek (1861) van H.M.F. Landolt vermeldt Baschi-Bozuks voor Turkse ongeregelde cavalerie. Het woord komt ook in het Frans voor: bachi-bouzouk.

05 augustus 2009

Mexicaanse griep.

Sapperdeflap, het is zover! Op 4 augustus blies de eerste Nederlander de kraaienmars ten gevolge van de Mexicaanse griep.
Je kunt ook bij gebrek aan adem sterven maar dan is de paniek minder groot. Tegenwoordig durft niemand nog zijn krant lezen of het journaal bekijken zonder de angst om de oren te worden geslagen met de ‘nieuwe pest’. Als je de media mag geloven wordt 2009 een annus horribilis. Vooral in het najaar zouden veel bejaarden en jonge twintigers bij bosjes omvallen en het pierenkuiltje ingaan.
Een tijdje geleden was het nog allemaal de ‘varkensgriep’ wat de klok sloeg maar op aanraden van enkele ultraorthodoxe Israëliërs werd die term best vervangen door ‘Mexicaanse griep’. Volgens de joodse leer zijn varkens onreine dieren, vandaar.
Dit stuitte meteen op protest van de Mexicaanse ambassadeur in Israël want die alternatieve benaming zou het imago van zijn land geen goed doen.

De naam ‘varkensgriep’ bestaat al een hele tijd. Eigenaardig genoeg vinden we dit woord niet terug in de laatste editie van Van Dale. De gerenommeerde Oxford English Dictionary geeft van ‘swine influenza’ (gemeenzaam afgekort tot ‘swine flu’) een vindplaats uit 1922.
De eerste Nederlandse krant waarin we iets over de varkensgriep vernemen is de Leeuwarder Courant van 03 september 1977. Daarin staat zelfs een waarschuwing:
‘De soorten griep welke na 1930 maar vóór 1957 heersten hadden enige verwantschap met de varkensgriep. Menigeen die geboren is tussen 1930 en 1957 heeft ook nu nog in zijn lijf afweer tegen varkensgriep al wordt die ieder jaar minder net zoals trouwens bij wie 1918 heeft meegemaakt. Na 1976 is de varkensgriep nergens meer waargenomen. Maar toch adviseren de deskundigen nu al ertegen in te enten. Volgens hen zal er omstreeks 1983-1985 weer varkensgriep komen die zich net zo snel zou kunnen uitbreiden als de Spaanse griep in 1918.’
Tot zover de waarschuwing uit 1977.
De benaming ‘Mexicaanse griep’ dook voor het eerst op in maart 2009. De uitbraak van het virus begon in Mexico en breidde zich van daar snel uit naar de VS en Europa. Men had het aanvankelijk over ‘een gevaarlijke variant van de varkensgriep’.
De nieuwe term is nog maar pas ingeburgerd of enkele grapjassen hebben al een Nederlands synoniem gevonden: de ‘Tacohoest’. Uit de AD/ Haagsche Courant van 20 juni plukten we dit citaat:
‘Hij rukt het plakband aan zijn linkermondhoek los. 'Dit is tegen de Mexicaanse tacohoest! Het eerste geval in Den Haag is ontdekt. Ik ben niet van plan om het tweede te worden.'
‘Tacohoest’ is een bedenksel van shocklog GeenStijl, een rebelse Nederlandse website, die al meerdere woordvonsten op zijn naam heeft staan.
Taco is een populair Mexicaans voedingsmiddel: een (met kip of gehakt) gevulde tortilla. Sinds de jaren zestig van vorige eeuw is het in de VS ook een volkse en ietwat kleinerende benaming voor een Mexicaan. In het Amerikaans-Engels bestaan er talrijke grappige samenstellingen met dit woord. Een ‘Taco belle’ is bijvoorbeeld een Latijns-Amerikaanse vrouw terwijl ‘taco bell’ (zonder de eind-e) een spotnaam is voor de penis. Eigenlijk is dit woord een allusie op een bekende Amerikaanse restaurantketen met Mexicaans eten. ‘Taco-bender, taco-eater’ en ‘taco-head’ zijn minachtende benamingen voor een Mexicaan of Chicano. ‘Tacoland’ is een pejoratieve benaming voor Mexico. ‘Taco queen’ is een homo die graag partners heeft van Latijns-Amerikaanse afkomst. En ‘Taco Town’ kan niet anders dan de bijnaam zijn van San José.

Of de ‘Tacohoest’ ook de Van Dale zal halen weten we niet. Misschien als binnenkort de ene na de andere met de tenen omhoog gaat liggen en de paniek wereldwijd uitbarst. Nee, dat zijn geen leuke dingen voor de mensen. Eén troost: een kouwe kont hebben we binnen honderd jaar allemaal.

01 augustus 2009

Dat is de hamvraag.


Je hoort of leest deze uitdrukking nog wel eens. Bedoeld wordt: dat is de cruciale vraag; de vraag waar het allemaal om draait.
De uitdrukking dateert uit het begin van de jaren vijftig van vorige eeuw en is ontleend aan het destijds populaire familiespel `Mastklimmen', door de NCRV vier seizoenen lang (1953 - 1957) op de radio uitgezonden. De presentatie was in handen van `spelleider voor goede doelen' Johan Bodegraven. Van hem herinneren we ons de gevleugelde woorden aan het eind van het spel: `Want haalde u de ham niet uit de top, dan haalde u in elk geval uw kennis weer eens op!'
Wie het antwoord wist op de moeilijkste vraag, kreeg als hoofdprijs immers een ham! Deze vormde de top van een reeks van vijf cadeau's, tegenwoordig onvoorstelbaar nu men bij een beetje quiz gewoon met peperdure geschenken smijt. Deze radiowedstrijd werd uitgezonden toen de televisie nog in haar beginstadium verkeerde. Meedoen aan het spel was toen nog belangrijker dan prijzen in de wacht slepen.
De ‘hamvraag’ is ondertussen geen eendagsvlieg gebleken. In het Amerikaans-Engels kent men de ‘sixty-four thousand dollar question’; Fransen hebben het over ‘la question à cent balles’.

25 juli 2009

De Reus van de Provence.


Vandaag moeten de renners de top van de Mont Ventoux bedwingen. Voor velen is de beklimming van deze magische berg een spirituele ervaring. ‘De kale berg’ wordt hij genoemd, vaak ook ‘de beul (of: de reus) van de Provence’. De Mont Ventoux is een 21,5 km lange col in de Provence. Voor het eerst beklommen in de Tour de France van 1951. De Engelse renner Tommy Simpson stierf er op 13 juli 1967 op 1,5 km van de top (een hartstilstand te wijten aan doping en alcohol). Fransen noemen de Mont Ventoux 'le col des tempêtes.'

'Beul' is in het wielerjargon ook een benaming voor een lastig te beklimmen berg.
Op 15 juli 1949 verscheen in het katholieke weekblad 'Het Land van Valkenburg' een gedicht van Karel Dorren. Het was een ode aan de Cauberg en het begon als volgt:
"Beul zijt gij weer telken jare
voor de vorsten der pedaal
Die in bang ontzag zich buigen
Voor uw brute kracht en taal."

23 juli 2009

Gruppetto en bus.


Cadel Evans is een typisch geval van: alles in de etalage, niets in de winkel. Over de vorm en de professionele ingesteldheid van deze kandidaat-Tourwinnaar rijzen al lang vragen.
In de zeventiende rit moest Cadel lossen. Precies 29 minuten na winnaar Frank Schleck kwam hij binnen met ‘de bus’. ‘Zijn allereerste gruppetto ooit in de Tour’grapte hij op Twitter.

‘Gruppetto’ is Italiaans voor ‘groepje’, in wielerjargon meer specifiek gebruikt voor een groepje achterblijvers. De term werd oorspronkelijk gebruikt in de Giro.
De ‘bus’ (in het Franse argot ook wel: omnibus) is de benaming voor de niet-klimmers die zich groeperen tijdens een bergrit om zo binnen de tijdslimiet aan te komen. Het gaat om een samenklontering van zgn. drollecoureurs, krabbers, pannekoeken en patattencoureurs tijdens de bergritten. Ze rijden in hun eigen tempo en hun doel is om samen vóór het sluiten van de tijdcontrole binnen te zijn. Door hun grote aantal kunnen ze niet uit de wedstrijd gezet worden, mocht de tijdslimiet over­schreden zijn.
De ‘autobus’ of ‘bus’ wordt meestal geleid door een rot in het vak. Deze geeft het tempo aan waarmee men op tijd kan arriveren. Hij wordt dan ook de ‘buschauffeur’ genoemd.
‘In de autobus gaan zitten’ klinkt in het Frans ietsje anders: ‘prendre le dernier métro.’

21 juli 2009

Flashmobs.

Op 8 juli hielden enthousiaste Zweden in Stockholm een zgn. ‘flashmob’, als eresaluut aan de King of Pop, Michael Jackson. Een paar weken later wilden Nederlanders dit overdoen op het Amsterdamse Museumplein. Ze begonnen op het zelfde moment spontaan te dansen op de muziek van Thriller. Na deze dansact trokken ze naar een andere locatie.
Mocht u het nog niet weten: een ‘flashmob’ is een groep mensen die via internet wordt samengeroepen om onverwachts ergens iets geks te ondernemen, een ludieke stunt te doen. De opgeroepenen zijn volslagen vreemden t.o.v. elkaar en hun treffen gebeurt doorgaans in een drukke stad of op plaatsen waar veel volk bijeen is. Samen doen ze dan de vogeltjesdans op straat of nemen ze in groep een bevroren danspose aan op een winkelpromenade. Een nutteloze handeling eigenlijk die even snel voorbij is als ze begonnen is.

Er bestaat ondertussen al een Nederlandse benaming voor dit fenomeen: ‘flitsmeute’ of ‘flitsmenigte’.
De hype startte op 3 juni 2003 in New York. Een grote groep mensen ging toen tegelijk in warenhuis Macy’s een niet bestaand ‘liefdestapijt’ kopen. Na enkele minuten verdwenen de mobbers weer snel en onopvallend. De verkopers bleven verbouwereerd achter. Een nieuwe rage was geboren. Al snel verspreidde de hype zich via internet. Andere steden zoals San Francisco, Rome en Londen volgden.
Oorspronkelijk was de ‘flashmob’ puur anarchistisch. Oudere lezers die blijven hangen zijn in de sixties, denken wellicht meteen aan de zgn. ‘happenings’ uit die periode, aan de ‘sit-ins’ bijvoorbeeld: mensen die samenkomen op een openbare plek om gezamenlijk een (politiek) statement te maken.
Het verschil met de huidige ‘flashmobs’ is wel dat de deelnemers nu elkaar niet kennen en er geen ideologische verwantschap tussen hen bestaat. Zoals bij hypes meestal het geval is, roken ook andere groepen (politieke partijen, actiegroepen en commercie) vrij snel hun kansen. Zij zien ‘flashmobs’ als een nieuw soort publiciteitsmiddel en dat kan alleen maar het poëtische karakter van dergelijke ‘events’ ondergraven.
Tot vorige maand dacht ik dat dergelijke ‘flitsmeutes’ een stille dood gestorven waren, maar blijkbaar zijn ze terug van weggeweest. Of dat een goeie zaak is, is een andere vraag.

19 juli 2009

De bikinlijn.

Even tijd maken voor een zomers onderwerp.

Tegenwoordig bepalen vooral mode en reclame welke vrouwen door mannen als mooi worden geklasseerd. Is je seksleven minder intiem en romantisch wanneer je als vrouw behaarde benen hebt, wanneer je je oksels niet scheert en je ‘bikinilijn’ ver buiten je bikini valt? Klagen mannen over je beharing of vind je dat jouw lijf niets zegt over je kwaliteiten als vrouw, vriendin of minnares? Kortom: ben je minder vrouw omdat je meer beharing hebt op sommige lichaamsdelen?
Mensen gebruiken in hun omgang met elkaar vaak eufemismen. Die moeten bepaalde zaken, (ontharingsbeurten bijvoorbeeld) die je liever niet bij naam noemt (wegens te gênant), camoufleren. De ‘bikinilijn’ is de lijn gevormd door de randen onderaan het bikinizwempak, de grens tussen de behaarde en onbehaarde huid. Eigenlijk markeert deze term de uiterste grens van het schaamhaar. De bikinilijn moet ervoor zorgen dat er geen enkel haartje tevoorschijn komt. Overtollig schaamhaar wordt daarom met was of hars geëpileerd. Het verwijderen van lichaams­haar zorgt vaak voor schaamtegevoelens. De behandeling kan verhuld worden met het van het Frans afgeleidde werkwoord ‘epileren’, al kan ook ‘harsen’ als eufemisme dienst doen.

‘Bikinilijn’ is een neologisme: het woord is begin jaren tachtig van vorige eeuw in zwang gekomen maar werd pas laat opgenomen in onze woordenboeken. Het oudste citaat uit de Oxford English Dictionary dateert van 1979.

15 juli 2009

De dood of de gladiolen.

Een zegevierende wielrenner krijgt op het podium een grote bos gladiolen overhandigd.
De uitdrukking ‘de dood of de gladiolen’ staat dan ook voor de alles-of-niets-instelling van een sportman; erop of eronder; verliezen of winnen (de bloemen).
Deze populaire zegswijze wordt vooral gebruikt tijdens massasprints, wanneer er veel risico’s genomen worden. Doorgaans wordt ze toegeschreven aan wielrenner Gerrie Knetemann (1951-2004), maar het is zeer de vraag of de Kneet ze wel bedacht heeft.
In de oudste teruggevonden vindplaats tot nu toe (1986) gaat het over de Elfstedentocht, terwijl andere citaten van eind jaren tachtig uit de voetbalverslaggeving komen. Volgens sommigen zou Jan Gisbers, de ploegleider van wielerformatie PDM, de uitdrukking midden jaren tachtig gelanceerd hebben.
Anderen vinden dan weer dat ‘de dood of de gladiatoren’ veel correcter zou zijn. Dat komt uit de Romeinse rechtspraak: in plaats van de doodstraf een gevecht met de beste zwaardvechter in de arena.

In de Nijmeegse Vierdaagse, het jaarlijkse internationale wandelfestijn, is ‘de dood of de gladiolen’ sinds de jaren negentig goed ingeburgerd: na een succesvolle afsluiting op de laatste dag beloont het publiek de wandelaars met gladiolen. De weg naar de finish heet die dag zelfs ‘Via Gladiola’.

11 juli 2009

De bezemwagen.

Wie tijdens de Tour de France de ‘pijp aan Maarten’ geeft, kiest voor een ritje in de ‘bezemwagen’: de volgauto voor uitvallers, traditioneel de laatste schakel in de karavaan.
Dit voertuig is redelijk Spartaans ingericht (vaak kom je er gehavender uit dan je er in gegaan bent). Wie hierin belandt, wordt als het ware 'uit het peloton geborsteld'.
De bezemwagen werd door Henri Desgrange (de oprichter van de Tour) voor het eerst ingevoerd in de Tour van 1910, het jaar dat men ook voor het eerst de Pyreneeën aandeed. Desgrange wou het leed verzachten van al de renners die niet tot het einde konden volhouden. Van de 110 gestarte renners, haalden slechts 41 de finish in Parijs. De zwakken, de zieken en de pech­vogels konden terecht in een vrachtwagen. Bovenop de stuurhut stond een borstel. Tegenwoordig heeft de bezemwagen vooral een symbolische waarde. Veel gekwetste of uitgeputte coureurs verruilen onderweg de fiets voor de ambulance of verkiezen het comfort van één der ploegauto's.

De laatste positie voor de bezemwagen wordt in het vakjargon de ‘mongolenwaaier’ genoemd: dit is een waaier van renners die ‘de slag hebben gemist’ (niet in de goede ontsnapping zitten). Men rijdt dan volgens ongeschreven wetten: iedereen lost braaf af, tempoversnellers worden op hun rechten en plichten gewezen. De term ‘mongolenwaaier’ werd wellicht bedacht door renner en spraakwaterval Gerrie Knetemann (+ 2004).
De ‘bezemwagen’ noemt men in het Frans ‘la voiture-balai’. De Britten hebben het over ‘the sag wagon’.

08 juli 2009

Houston, we have a problem.

Je hebt zo van die helpdesks waar het de medewerkers geen zak kan schelen of de klant verdergeholpen wordt of niet. Bellen naar je provider kan soms een rondje Mens-erger-je-niet worden. Je krijgt dan van die incompetente koekenbakkers aan de lijn die de oorzaak van een probleem al direct bij jou leggen. “Neen, het netwerk ligt niet plat. Uw firewall is wellicht de schuldige, meneer!” Aan het eind van het gesprek (in een soort zoeloetaaltje) ben je vaak geen snars wijzer.
Gelukkig werken er op sommige helpdesks nog echte gentlemen. Vorige week schrok ik mij het apelazarus. De elektronische woordenboeken van Van Dale, die al geruime tijd op mijn computer draaiden, hadden plots de pijp aan Maarten gegeven. Ze gaven geen teken van leven meer.
Bij het opstarten kreeg ik telkens een lege database. Heel raar: een woordenboek zonder woorden erin!
Nu zijn de digitale Van Dale’s peperduur, zeker als je ze vergelijkt met zeg maar de elektronische Oxford English Dictionary. Voor de prijs van één Van Dalesetje kun je momenteel de volledige OED + aanvullingen aanschaffen (meer dan 500.000 woorden en ongeveer 2,5 miljoen citaten). Mijn frustratie was dan ook groot. Die dingen kosten veel geld en dan bleken ze zomaar van vandaag op morgen niet meer te werken.
In zo’n geval kun je twee dingen doen. Je begint hysterisch met allerlei dingen te gooien of je gaat gewoon rustig verder met ademhalen. Ik koos voor het tweede (geen paniek op de Titanic) en mailde de helpdesk van Van Dale. Het duurde een tijdje voor ik antwoord kreeg en ja, de man aan de lijn informeerde ook meteen naar mijn firewall.
De Van Daleproducten moet je na installatie eerst activeren (anders doen ze het na een tijdje niet meer). Je kunt ieder setje maximaal 3 keer activeren (dus op 3 verschillende pc’s installeren). Ben je toe aan de aanschaf van een nieuwe pc of moet je harde schijf vervangen worden, dan moet je Van Dale eerst deactiveren en op de nieuwe pc (of harde schijf) na installatie weer activeren. Hierdoor wordt er door het programma soms contact opgenomen met de basis (zonder dat de gebruiker dit merkt). In- en uitgaand verkeer wordt uiteraard geregeld door de firewall. Die bewaakt je computer alsof het Fort Knox is.
In dit geval was de suggestie van de Van Daleman niet zo onterecht. Echter: de firewall werkte al een jaar probleemloos samen met de woordenboeken. Waarom zou hij dan opeens roet in het eten gooien? Het probleem is nu opgelost dankzij de Van Daleman. Wat was er aan de hand? Niet de firewall was de schuldige, maar het anti-spywareprogramma ‘Ad-Aware’, waarvan ik een paar dagen voordien de nieuwste versie had geïnstalleerd. ‘Ad-Aware’ vond bepaalde uitgaande processen (o.a. die van Van Dale) uitermate verdacht en vond er niet beter op dan de woordenboeken te deactiveren. Met de uitstekende hulp van de helpdesk werd alles weer netjes verholpen. ‘Ad-Aware’ bij het grof vuil gezet, alles weer gedeactiveerd en netjes opnieuw geactiveerd.
Het klinkt nu allemaal heel simpel maar er kwam wel wat meer bij kijken. In ieder geval doen de Van Dale’s het weer. Opletten dus met Ad-Aware, firewalls en andere anti-spywareprogramma’s beste mensen, want die lusten de Van Dale niet.

04 juli 2009

Een boterham met pindakaas.

Vandaag begint de 96ste editie van de Ronde van Frankrijk. Hele volksstammen gaan weer compleet uit hun bol. Het belooft nog maar eens superzwaar te worden. Op de voorlaatste dag, zaterdag 25 juli, wordt de mythische Mont Ventoux aangedaan. De flanken van deze 21,5 km lange col in de Provence zullen weer bezwijken onder de invasie van toeristen en fans.
Ter lering ende vermaak krijgt u van mij af en toe een wielerterm of –uitdrukking voorgeschoteld. Wie zijn kennis van het Tourjargon wat wil bijspijkeren kan hier dus terecht.

‘Je kunt de Tour niet winnen op een boterham met pindakaas’ is al geruime tijd een gevleugeld gezegde onder wielercommentatoren. In gewone mensentaal: zonder hulpmiddelen (lees: doping) kan een renner geen wereldtitels winnen. Oorspronkelijk was dit een bekende (en eerder onschuldige) reclameslogan van Calvé uit 1983.
Het draaide rond een jongen met een petje die wielrenner wilde worden. Achter zijn boterham met pindakaas verklaarde hij dat zijn moeder zei dat pindakaas goed voor hem was door de vitamientjes (pitamientjes).
Maarten Ducrot, voormalig renner en verslaggever van wielerwedstrijden, riep tijdens de Tour van 2006: "Je rijdt de Tour niet uit met boterham met kaas." Ook Gerrie Knetemann gebruikte de slogan wel eens. Van Eddy Merckx is de variant: 'De Tour win je niet met een klontje suiker.'
Dergelijke uitspraken werden in het verleden vaak onderschreven door een breed forum van medisch onderlegde specialisten. Het zou mooi zijn mocht iemand de Tour deze keer echt winnen op een boterham met pindakaas.

02 juli 2009

Zumba.

Zumba (ook wel Zoemba) kende ik vooral uit de rugbysport: een inwijdingsritueel waarmee een nieuwe rugbyspeler die voor het eerst een try maakt (vijf punten, gescoord door de bal achter de scoringslijn op de grond te drukken) wordt geëerd.
Meestal moet deze speler dan een stripact opvoeren: in zijn blote kont, overgoten met bier, een ronde om het veld lopen. Zingende ploeggenoten staan dan in een rituele dans om hem heen. Het ritueel is wellicht ontstaan binnen studenten rugbyverenigingen en wordt beschouwd als een vorm van ontgroening. ‘Zumba’ is dan nog één van de onschuldigste liedjes uit het repertoire van de studentikoze rugbyer. Na de ‘zumba’ ben je geen jongen meer maar een man en word je door je teamgenoten aanvaard.

Of deze ‘Zumba’ iets te maken heeft met de nieuwste dansrage (een mix tussen latin en fitness) weet ik niet. De meeste hypes komen en gaan vrij snel. Is Zumba de zoveelste danstrend, die na een paar maanden weer passé is? Vrouwen van 20 tot zestig jaar, allemaal zijn ze gek op Zumba. Dik of dun, met of zonder gevoel voor ritme, het maakt niet uit. Geen ingewikkelde danspassen, geen danspartner, alles is makkelijk te volgen. Een uur lang intensief bewegen op salsa, merengue, cumbia en samba. Ondertussen kun je overtollig vet afschudden van buik en heupen. Zumba is voor velen een combinatie van fun en sport.
Vrij vertaald betekent dit Colombiaans-Spaanse woord: snel bewegen en plezier hebben.’ In de Van Dale Spaans-Nederlands vind je uitsluitend de betekenissen: ratel; plagerij en (in Latijns-Amerika) een pak slaag. Grondlegger van de nieuwste fitnesshype is aerobicsleraar Alberto Perez uit Colombia.
‘Zumba’ is wellicht niet aan mij besteed. Te vermoeiend. Kost teveel zweet. Geef mijn portie maar aan Fikkie. Ik ga wel op een andere manier uit mijn dak.

28 juni 2009

Maanwandeling.

Dat was me het weekje wel. Ze vielen als bosjes. Eerst de Vlaamse politicus Karel Van Miert, daarna presentatrice en zangeres Yasmine, tussendoor nog de Amerikaanse actrice Farrah Fawcett. En tenslotte blies ook de ‘king of pop’ zijn laatste adem uit.
‘Shit happens’ zeggen ze in de VS of ‘life’s a bitch and then you die.’ Ja, ik kan daar alleen maar aan toevoegen: ‘koning, keizer of admiraal, sterven doen we allemaal’.
Maar bij de dood van Michael Jackson stond de wereld meer dan één dag stil. De uitvoering van zijn ‘moonwalk’ is inmiddels legendarisch. Dat gebeurde voor het eerst tijdens de televisieregistratie van het vijfentwintigjarig jubileum van Motown, uitgezonden op 16 mei 1983. Vijftig miljoen Amerikanen konden o.a. Marvin Gaye en Diana Ross bewonderen maar de dag erna was enkel Michael ‘talk of the town’. Zijn choreografie van "Billy Jean' sloeg in als een bom. De typische achterwaarts glijdende danspassen, eindigend in een wervelende pirouette brachten even Fred Astaire terug in herinnering. Deze dans werd zijn handtekening, een soort behendigheidsspel dat vrij snel navolging kreeg op scholen en straten.
Toch was de ‘moonwalk’ geen uitvinding van Michael Jackson. De zanger liet zich inspireren door James Brown en de Franse mime-artiest Marcel Marceau (die hij vaak ging bekijken).

Chuck Berry had destijds de ‘duck walk’ (een eendenpas met gitaar) en ook Neil Young had een kenmerkend danspasje: het ‘dinosaurusloopje’ (prehistorisch waggelen) maar beide kunnen lang niet tippen aan dat van Jackson.
De ‘moonwalk’ heeft zelfs de befaamde Oxford English Dictionary gehaald. In de betekenis van ‘overdreven trage actie of dans, lijkend op de karakteristieke gewichtloze beweging of het wandelen op de maan’ werd de term al opgetekend in 1980, dus 3 jaar voor het legendarische optreden van Jackson. Maar dat doet niets af aan het feit dat Wacko Jacko het woord zijn definitieve betekenis heeft gegeven.
Tegenwoordig is ‘moonwalk’ zelfs de naam van een soort smartdrug: een natuurlijk product dat gebruikers in een hogere sfeer brengt. Laat ons hopen dat de ‘king of pop’ nu ook in hogere sferen mag vertoeven.

22 juni 2009

Olijfboomcoalitie.

Vlaams minister-president Kris Peeters is dan toch gewonnen voor een regering van CDNV, NVA en SPA. Open VLD werd meteen bij het grof vuil gezet. Die partij mag zijn wonden gaan likken.
In het Waalse landgedeelte werd een ‘olijfboomcoalitie’van socialisten, christendemocraten en groenen (Ecolo) in de steigers geplaatst. Olijfboomcoalitie staat nog niet in Van Dale. Moeten we daar rouwig om zijn? Misschien niet maar het is een handige parapluterm voor een bundeling van wat je kunt noemen ‘progressieve krachten’.
Het is helemaal geen hersenspinsel van één of andere Belgische politicus. Nee, de ‘olijfboomcoalitie’ is in feite het geesteskind van Romano Prodi, de gewezen Italiaanse premier. In 1996 verenigde hij alle gematigde progressieve krachten in L’Ulivo, ook wel: la coalizione Ulivo. Dit verbond moest het opnemen tegen premier Berlusconi.

België kreeg zijn eerste ‘olijfboomcoalitie’ in 2004. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gingen PS, cdH en Ecolo samen in het bootje. In Vlaanderen wil een dergelijk samengaan blijkbaar niet lukken. De Vlaamse fractie in de Brusselse regering heeft dan weer een ‘Jamaicaanse coalitie’gevormd. Kunt u nog volgen, beste lezer? Open VLD, CD&V en Groen beslisten na de verkiezingen om samen te werken, dit tot afgrijzen van de socialist Pascal Smet.
Maar goed, that’s life. De coalities in de drie landgedeelten zijn gekend. Nu nog namen en rugnummers graag!

19 juni 2009

Dramademocratie.

Weer een woord bijgeleerd: dramademocratie.
Volgens Van Dale is dit een 'politiek systeem waarin machthebbers hun legitimiteit ontlenen aan hun optreden in crisissituaties die door de media worden opgeblazen.'
De term werd bedacht door de Belgische socioloog Mark Elchardus, die in het Zaterdags Bijvoegsel van NRC Handelsblad in 2003 uitlegde hoe zo'n dramademocratie werkt:
'de media storten zich op een thema waarvan zij weten dat het de burgers emotioneel raakt. Zo dwingen zij politici en publieke personen, eveneens via de media, stelling te nemen of in actie te komen. Die doen dat graag omdat ze nu eenmaal aandacht willen trekken voor hun standpunten.'

Aarsgewei. Vervolg.

Even een rechtzetting beste lezers: ‘aarsgewei’ komt niet uit de koker van de Utrechtse cabaretière Claudia de Breij. Waarschijnlijk hebben wij dit woord geïmporteerd vanuit Duitsland of Oostenrijk.
In de jaren negentig van vorige eeuw was het daar al in de mode. Professionele tatoeëerders gebruiken het al jaren tegenover hun klanten. “Arschgeweih” wordt het daar genoemd, soms ook “Heckspoiler”.
Een aarsgewei is steeds T-vormig en in ieder geval breed, niet zo zeer hoog. Eén en ander staat te lezen in het leuke boekje ‘Leet & Leiwand. Das Lexikon der Jugendsprache’ van Robert Sedlaczek. Arschgeweih werd bij onze oosterburen populair gemaakt door de Beierse cabaretier Michael Mittermeier. In volgend filmpje maakt hij zich vrolijk over tatoeages boven het achterwerk: http://www.youtube.com/watch?v=ij1Vi26GhNk
Wellicht heeft Claudia bij hem de mosterd gehaald.

13 juni 2009

Aarsgewei.

Een nieuwe lente, een nieuwe tattoo. Zowat een jaar geleden hadden we het hier over het ‘Boeddhabuikje’, een elegante term voor iemands plompe voorkant. Tegenwoordig schreeuwt een blote rugpartij om aandacht.
De string of tanga die boven een meisjesspijkerbroek komt piepen, is nu helemaal uit. Boven de huidige damesonderbroek is het ‘aarsgewei’ nu al een vijftal jaren redelijk populair. Het gaat om een tatoeage op de onderrug en het achterwerk. Deze vertakking van de bilspleet is vooral bij jonge vrouwen erg geliefd. Ze bestaat uit krullen en geometrische vormen. Vaak gaat het om tekens ontleend aan de versierkunst van bijvoorbeeld aboriginals of maori's. Zoiets noemt men in het vakjargon een ‘tribal tattoo’.
Het traditionele anker of roosje moet dus stilaan veld ruimen voor zo’n sierlijke tatoeage met een veelheid van ingewikkelde patronen (zoals we die kennen van verre volkeren). De populariteit van de ‘aarsgeweien’ heeft uiteraard te maken met de lage heupbroeken. Een blote rug moet je accentueren. ‘God is in the details’ wist architect Mies van der Rohe al.

Je zou denken dat ‘aarsgewei’ een vakterm is van tatoeëerders maar dit woord werd populair gemaakt en mogelijk ook bedacht door Claudia de Breij, een Utrechtse cabaretière en presentatrice van o.a. het radioprogramma 'Claudia d'r op!' Een synoniem is ‘kontgewei’. In Amerika gebruikt men de ietwat gewaagdere benaming ‘tramp stamp’. Deze term suggereert dat de draagster er willekeurige seksuele relaties op nahoudt. Het Prisma miniwoordenboek 'Drop your lyrics' 2006 was het eerste naslagwerk(je) waarin ‘aarsgewei’ werd opgenomen. Het staat nu ook in het Jaarboek taal 2009 van Van Dale. Volgens de tattoo-branche zal het ‘aarsgewei’ echter snel verdwijnen. De laaghangende heupbroek begint uit de mode te raken en het zijn vooral de meelopers die van deze tatoeage snel afwillen. De nieuwe trend is een tattoo in de vorm van moedervlekjes. Sigmund Freud vroeg het zich lang geleden al af: Was will das Weib?

11 juni 2009

Grooming.

Een nieuw eufemisme voor een heikel onderwerp.
Onder ‘grooming’ verstaat men: het digitaal kinderlokken met als doel: seksueel misbruik; seksuele toenadering zoeken via Internet.
Aanvankelijk was het in het Engels een vrij onschuldige term voor het verzorgen van dieren, i.h.b. paarden. Later werd het ook van toepassing op de persoonlijke verzorging van huid en haar door de man: scheren, epileren en smeren. Of in gewoon Nederlands: fatsoeneren.
Grooming is afgeleid van het Engelse woord ‘groom’: rij- of stalknecht, kamerheer, bruidegom. Het hangt samen met het werkwoord ‘to groom’ dat verzorgen, prepareren of opleiden betekent. Tegenwoordig heeft het een veel minder positieve betekenis. Het slaat dan op grensoverschrijdend gedrag waarbij toegewerkt wordt naar seksueel contact. Via chatboxen op het internet jongeren benaderen, hen vervolgens cadeautjes geven, uitnodigen voor maaltijden of evenementen, het zijn volgens gedragsdeskundigen voorbeelden van ‘grooming behaviour’. Sommigen vinden dit pas strafbaar wanneer de volwassene, na via internet een afspraak met een kind te hebben gemaakt, ook daadwerkelijk op weg gaat om die afspraak na te komen.
In Nederland wil minister Hirsch Ballin ‘grooming’ hard aanpakken.

06 juni 2009

Bingo.

Tegenwoordig kent iedereen wel deze uitroep van verrassing, gewoonlijk in reactie op iets dat plots, snel en onverwacht gebeurt (succes dat iemand te beurt valt) of na een rake opmerking: `die is raak; hoera; Eureka!' De kreet bingo werd oorspronkelijk gebruikt in het bingospel wanneer men in de prijzen viel.
Dit spel werd volgens ‘The Barnhart Dictionary of Etymology’ in 1929 ontwikkeld uit het lotto. De kreet was er volgens dit woordenboek al eerder. De uitroep werd pas begin jaren tachtig erg populair in kringen die niet direct iets te maken hadden met dit kansspel. Vooral jongeren hebben zich deze kreet eigen gemaakt. Het woord bingo werd al in de 17de eeuw gebruikt om cognac mee aan te duiden. Volgens sommige bronnen zou het een schertsende samentrekking zijn van de letter b (van brandy) en het woord ‘stingo’ (een sterk soort bier). Enig verband met het hazardspel is niet meteen duidelijk, maar een andere bron wijst erop dat bingo een verbastering kan zijn van ‘beano’, een oudere benaming voor hetzelfde kansspel. Beano zou dan gevormd zijn naar analogie van keno, een ander geluksspel, dat zijn naam ontleende aan Frans ‘quine’ (vijf winnende nummers). Volgens dezelfde bron zouden christelijke missionarissen het bingospel in de 19de eeuw geïntroduceerd hebben onder de inwoners van Afrika tijdens het al te enthousiast verkondigen van hun geloof. Deze volkeren associeerden het christelijk concept van de hemel, de uiteindelijke beloning voor een deugdzaam leven, met de uitroep ‘bingo’ wanneer een speler in de prijzen viel. Bingo werd op die manier een synoniem voor `hemel'.

Een populair Engels woordenboek weet een ander verloop te schetsen: een zekere Edwin Lowe zou in 1919 op een kermis in de buurt van Jacksonville, Florida, mensen een spel hebben zien spelen dat zij ‘beano’ noemden. Dit kansspel was elders ook bekend onder de namen ‘keno, loo’ en ‘housey-housey’. Lowe ging het spel verder uitwerken en bracht een spelgekte teweeg die hem een fortuin opbracht. Eén van zijn vrienden zou toen tijdens het winnen de kreet ‘b...b...bingo!’ hebben uitgestoten, en hierdoor zou het kansspel zijn naam gekregen hebben. Het werd vooral populair in de jaren zestig, ook bij ons. Bij uitbreiding wordt het nu vooral gebruikt als uitroep van verbazing.

01 juni 2009

Flapdrollen.

Afgelopen week was het weer eens trammelant in Wildersland. Discussies in het parlement zijn vaak zaaddodend. Van een homo politicus zijn we het niet gewoon dat hij ook straattaal gebruikt tegenover zijn collega’s. Maar dinsdag, 26 mei, was het even bij de wilde duinkonijnen af.
SP-kamerlid Jan Marijnissen noemde minister Bert Koenders (PvdA) voor Ontwikkelingssamenwerking zomaar een ‘flapdrol’. Getsie, wat een spierballentaal zeg!
‘Jij hoort niet in de Kamer thuis’ zei de Verschrikkelijke Schreeuwman nog.
Koenders vond dit niet kunnen en maakte achteraf zijn beklag tegen persbureau ANP. Hij voelde zich in zijn kuif gepikt. SP-leider Agnes Kant verdedigde Marijnissen en voegde er nog aan toe dat Koenders een klein kind was. Ze vond ‘flapdrol’ een keurig Nederlands woord en in dit geval een ‘terechte constatering’.
Kut met peren natuurlijk. Flapdrol is gewoon straattaal of slang. Dat vertelde ik diezelfde avond ook op de NOS Radio 1 tijdens een interview voor het programma "Met het Oog op Morgen". Men vroeg mij of je flapdrol kon beschouwen als scheldwoord. Ik antwoordde diplomatisch dat dit van een aantal zaken afhing. De context is belangrijk maar ook de intonatie en de plaats (het maakt wel verschil of je zo’n woord in vertrouwelijke kring gebruikt dan wel tegen een politieagent of in het parlement). Bovendien bestaat er zoiets als respect. Een vriend of collega lacht zo’n schimpnaam wellicht gewoon weg maar in een praatbarak zoals het Nederlands parlement getuigt het mijns inziens van weinig respect.

Flapdrol is ook geen standaardtaal. Het behoorde oorspronkelijk tot het Bargoens (de geheimtaal van dieven en landlopers) van eind negentiende eeuw.
Het was niet alleen een scheldwoord voor een vent van niks, een sufferd of slome, maar ook was het van toepassing op een vrouw waar ‘geen boon aan gelegen is’, een kreng of een trut.
“Is me dat een flapdrol van een meid!” lazen we al in het boek ‘Kamertjeszonde’ (uit 1897) van Herman Heijermans. Flapdrol werd eveneens gebruikt om een prostituée mee aan te duiden. Hoe komt het dat we flapdrol beschouwen als een scheldwoord? Ik denk dat veel te maken heeft met het tweede deel van deze samenstelling. ‘Flap’ betekent gewoon ‘neerhangend lapje’ maar ‘drol’ slaat op iets met een niet-vaste substantie. Charles Edgard du Perron, een Nederlands dichter en criticus, suggereerde begin twintigste eeuw in zijn briefwisseling met zijn collega, Menno ter Braak, om in diens nieuwe roman de woorden ‘boerelul’ en ‘flapdrol’ te vervangen door ‘boereknul’ en ‘fluim’. Bijna een eeuw later zijn de gemoederen nog niet gesust. Flapdrol is nog steeds geen parlementaire uitdrukking, daarvoor blijft het te informeel. De fatsoensgestapo had deze keer recht van spreken.

24 mei 2009

Vers van de pers.


In 1989 publiceerde ik (in samenwerking met Gijs Zandbergen) bij uitgeverij Thomas Rap mijn eerste boek: het Wielerwoordenboek. Nu, bijna twintig jaar later, verschijnt een volledig herziene versie bij dezelfde uitgeverij.
Even wil ik alle valse bescheidenheid opzij zetten want ik ben trots op dit boek. Het heeft mij veel bloed, zweet en tranen gekost. Daarom hoop ik dat jullie, lezers, het goed vinden. 
Wie werd in de wielersport ‘chéri-pipi’genoemd? En wie was het ‘verdriet van België’?
Op welke renner sloegen de historische woorden ‘de grote reiger heeft zijn vleugels gesloten?’ Was Gerrie Knetemann werkelijk de geestelijke vader van de uitdrukking ‘de dood of de gladiolen’? Wat bedoelen Vlaamse renners precies met ‘het is nog botermelk’ en ‘hij is helemaal choco’? Wanneer begint de ‘dance des grimpeurs’? Heeft doping nu ook de wielertaal aangetast? Wie was ‘de eeuwige tweede’? En wat doen een ‘ardasoir’ en een ‘aankomstrechter’ precies? Wie bedacht de uitdrukking ‘de martelgang van kromme Leendert’? Deze en veel andere vragen worden nu voor u beantwoord. 
Bent u een fan van de wielersport dan wilt u ook thuis zijn in het heroïsche taalgebruik van de ‘dwangarbeiders van de weg’. Niet alleen renners en ploegleiders, maar ook sportjournalisten hanteren een mythisch, vaak zelfs hermetisch jargon, dat buitenstaanders wel eens de wenkbrouwen doet fronsen. ‘Drie wespen en een gesneden brood’ was de codetaal die Johan Musseeuw destijds gebruikte om ‘inkopen te doen’ bij de Vlaming José Landuyt. Het betrof hier geen warme bakker maar een veearts. Soms gaat het er nogal technisch aan toe of grijpt men naar de Franse terminologie. Eén ding is zeker: wielertaal lééft!
Het “Groot Wielerwoordenboek. Van Asfalteczeem Tot Zoetemelkpositie” telt 400 pagina’s en kost welgeteld € 24,90. ISBN 9789060058053.