11 juli 2009

De bezemwagen.

Wie tijdens de Tour de France de ‘pijp aan Maarten’ geeft, kiest voor een ritje in de ‘bezemwagen’: de volgauto voor uitvallers, traditioneel de laatste schakel in de karavaan.
Dit voertuig is redelijk Spartaans ingericht (vaak kom je er gehavender uit dan je er in gegaan bent). Wie hierin belandt, wordt als het ware 'uit het peloton geborsteld'.
De bezemwagen werd door Henri Desgrange (de oprichter van de Tour) voor het eerst ingevoerd in de Tour van 1910, het jaar dat men ook voor het eerst de Pyreneeën aandeed. Desgrange wou het leed verzachten van al de renners die niet tot het einde konden volhouden. Van de 110 gestarte renners, haalden slechts 41 de finish in Parijs. De zwakken, de zieken en de pech­vogels konden terecht in een vrachtwagen. Bovenop de stuurhut stond een borstel. Tegenwoordig heeft de bezemwagen vooral een symbolische waarde. Veel gekwetste of uitgeputte coureurs verruilen onderweg de fiets voor de ambulance of verkiezen het comfort van één der ploegauto's.

De laatste positie voor de bezemwagen wordt in het vakjargon de ‘mongolenwaaier’ genoemd: dit is een waaier van renners die ‘de slag hebben gemist’ (niet in de goede ontsnapping zitten). Men rijdt dan volgens ongeschreven wetten: iedereen lost braaf af, tempoversnellers worden op hun rechten en plichten gewezen. De term ‘mongolenwaaier’ werd wellicht bedacht door renner en spraakwaterval Gerrie Knetemann (+ 2004).
De ‘bezemwagen’ noemt men in het Frans ‘la voiture-balai’. De Britten hebben het over ‘the sag wagon’.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten