01 november 2009

Geocaching.

Geocaching staat nog niet in Van Dale maar is sinds 2000 ingeburgerd (althans volgens de Oxford English Dictionary). In de Nederlandstalige pers en op internet lees je wel eens over ‘geocoaching’ maar de juiste term is wel degelijk ‘geocaching’, een samenstelling van ‘geo(graphy)’ en ‘cache’ (schat).
Het gaat om een hippe combinatie van internet en buitensport, van wandelen, zoeken en puzzelen. Ergens in de natuur is een schat verstopt (in een holle boom, onder een bruggetje) en met behulp van een hand-GPS moeten de deelnemers (in groepjes van ongeveer 5 personen) proberen deze schat terug te vinden. Het elektronisch apparaatje geeft in lengte- en breedtegraden de plaats aan. Allemaal goed voor de teamspirit dus.
Het roept beelden op van woudlopers die gewapend met kaart en kompas door bergen en bossen stappen. Alleen zijn de beoefenaars meegegaan met de technologische vooruitgang. Het kompas is nu vervangen door een gps-ontvanger. Deze hedendaagse vorm van schatzoeken is een ware rage geworden onder computernerds en overjarige padvinders.
Wellicht weten ze het niet maar in feite hebben ze dit allemaal te danken aan oud-president Bill Clinton. Hij tekende in 2000 een wet waardoor iedere bezitter van een GPS-apparaat (Global Positioning System) signalen mag ontvangen van het Amerikaanse ministerie van Defensie. Tevoren mocht dit navigatiesysteem enkel gebruikt worden voor militaire doeleinden. Ondertussen is het populair geworden bij elke outdoor-fanaat.
Een ‘geocacher’ is dus iemand die voor de sport schatten (allerlei snuisterijen en een gastenboekje, veel stelt het niet voor) verstopt, er de GPS-coordinaten van noteert, en andere schatten aan de hand van zulke coordinaten gaat zoeken.
Tegenwoordig heb je als volwassene een excuus nodig om nog eens in een boom te mogen klimmen. Bij ‘geocaching’ kan dit weer. Wie het wil kan het kind in zichzelf nog eens bovenhalen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen