03 september 2009

De mosh pit.

Ik hou van heel wat muziekjes, zong Raymond van het Groenewoud ooit.
Hetzelfde geldt voor mij, al wil ik dat meteen nuanceren. Van schlagers moet ik meteen de pot op en ‘heavy metal’ is ook niet meteen mijn ding. Ik vraag me zelfs af of er veel 49-plussers te vinden zijn die van deze oorverdovende, repetitieve vorm van hardrock houden.
Nee, geef mijn portie maar aan Fikkie. Maar misschien klinkt het voor generatiegenoten wel als muziek in de oren.
In het Amerikaans-Engels worden met ‘heavy metal’ zware wapens aangeduid, vooral tanks.
Wij kennen dit woord uitsluitend in de betekenis van erg luid gespeelde vorm van hardrock met steeds weer herhaalde riffs. De term werd ontleend aan het boek Nova Express uit 1964 van de Amerikaanse auteur William S. Burroughs. De teksten kunnen erg macho-seksueel getint zijn of vaag doen denken aan een mythologisch militarisme.
In die betekenis komt het woord al voor sinds ca. 1968. Deze muziekvorm was uitermate populair in de jaren tachtig van vorige eeuw en is dat nog steeds. De term wordt tegenwoordig vaak afgekort tot ‘metal’ en duikt op in allerlei samenstellingen zoals ‘metalhead’ en ‘metalfreak’. Dansen op metalmuziek wordt in het jargon ‘moshen’ genoemd (afgeleid van het Engelse werkwoord ‘to mosh’, de oorsprong van dit werkwoord is volgens de Oxford English Dictionary obscuur te noemen).
‘Te gekke muziek om te moshen’ stond ooit in het vakblad Metal Hammer (januari 1988).
De ‘mosh pit’ is het gebied vlak voor het podium waar zich al de wild op en neer springende dansers bevinden.
Laat het duidelijk zijn: ik heb niets tegen heavy metal. Sommige van mijn beste vrienden zijn metalheads. Zelf hou ik het liever bij folk, jazz, pop, hiphop, noem maar op. Zelfs een vleugje klassiek kan ik op tijd en stond smaken. Maar nu even tijd voor contemplatie.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen