20 september 2007

Sabbatsjaar.

Wie eens een jaartje niets wil doen, neemt doorgaans een ‘sabbatical leave’, om nog maar eens wat Engels vakjargon te gebruiken. De term wordt de laatste tijd wel eens vernederlandst tot sabbatsjaar of sabbatsverlof.

Zich een tijdje bezinnen; de boel de boel laten en een tijd lang geen verplichtingen meer aangaan, wie droomt daar niet van? Door velen wordt dit echter nog steeds aanzien als luieren, dolce far niente, leeglopen. Het roomse geloof houdt ons immers voor dat ledigheid (het niets om handen hebben) ‘des duivels oorkussen is’. Afhakers van het druk-druk-drukbestaan proberen (al dan niet betaald) verlof (gezien als loop­baan­onder­breking) te vergoelijken met een vreemd woord.
In 1994 werd in het Nederlandse Baarn de ‘Stichting Sabba­tical Leave’ opgericht door mensen die in Canada kennis maakten met het fenomeen en het vervolgens ook in Nederland wilden introduceren. De term gaat terug op de bijbel (Leviticus 25: 1-7). In de Sinaï verneemt Mozes dat hij zes jaar lang akkers mag inzaaien, wijngaarden mag snoeien en oogsten mag binnenhalen. Het zevende jaar echter dient het land een grote sabbat te houden. Om kracht op te doen en om vruchtbaar te blijven.
Het fenomeen past overigens helemaal in de tijds­geest. In de jaren negentig van vorige eeuw werden immers ook de termen ‘onthaasting’ en ‘quality time’ (kwali­teitsuurtje) gelanceerd.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen