18 augustus 2007

Allengaande.

Kranten en tijdschriften hebben het tegenwoordig vaak over een 'alleengaande' wanneer ze een vrijgezel of ongehuwd persoon bedoelen.
Vrijgezel is een wat stoffig woord. Bovendien slaat het enkel op mannen. Alleenstaande moest in de tweede helft van de twintigste eeuw ‘vrijgezel’ en ‘ongehuwde’ vervangen. Wellicht vond men deze termen toen te stigmatiserend. Toch werd alleenstaande niet altijd gebruikt in de zin van ‘ongehuwd persoon’ of ‘iemand die er alleen voor staat’. Vóór 1950 las je enkel over ‘alleenstaande bomen, huizen of meubels’.
De nieuwe betekenis (m.b.t. personen) werd dan ook pas in 1950 in Van Dale vermeld. Aanvankelijk dook alleen­staande vooral op in overheidsstukken.
In 1956 publiceerde een zekere W.C. Blomberg bijvoorbeeld het rapport ‘Woontoestand en woonwensen van 3.009 alleenstaande vrouwen in Amsterdam’.

Tegenwoordig wordt ook alleenstaande als stigmatiserend ervaren. Het woord straalt volgens sommigen zieligheid uit. Het wordt geassocieerd met eenzaam en verlaten. Alleengaande klinkt momenteel veel positiever en dynamischer. De betrokkene is dan wel alleen maar hij heeft het helemaal naar zijn zin.
Dit eufemisme werd voor het eerst gesignaleerd in 1984 en lijkt eveneens een voedingsbodem te hebben in ambtelijke kringen. Het dook vermoedelijk voor het eerst op in de titel van het rapport ‘De positie van oudere werkloze ‘alleengaande' Turken en Marokkanen’. Na de alleengaande Turken en Marokkanen kwamen de alleengaande autochtonen. Daarmee was de opmars van de alleengaande begonnen.
Nog vlotter en moderner is uiteraard de 'single'.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen