11 juni 2007

Krakers.

Het zelfstandig naamwoord kraker heeft meerdere betekenissen. Het is naast de benaming voor iemand die een huis kraakt ook nog een populaire term voor een chiropracticus (eigenlijk een verkorting van het woord bottenkraker). Tevens wordt het in de computerwereld gebruikt voor wat men in het Engels een hacker noemt: iemand die inbreekt in een computerbestand.

Krakers zijn de ridders van de computerwereld, kopte De Morgen ooit.
Van Dale omschrijft kraken hier als het ‘onbevoegd gebruik maken van de in een computersysteem opgeslagen gegevens of die gegevens stelen’.
Volgens Vrij Nederland zou deze vorm van kraken nooit zo’n vlucht genomen hebben als de programma’s voor computers niet zo duur zouden zijn.

Het woord kraker is eveneens een informele term voor een populair toneelstuk, muziekwerkje of gewoon een succesrijk grapje. Deze betekenis dateert van begin jaren zestig van vorige eeuw. Vooral tiener- en muziekbladen waren dol op dit woord.
Echte krakers in de hitparade maken ze niet meer, de dames Dolly Dots, lazen we in 1987 in het jongerenblad Club. Verder is een krakertje een Bargoens woord (reeds vermeld door Bargoensverzamelaar Köster Henke) voor een ‘slok’ of ‘borrel’.

Met het woord kraak worden overigens allerlei samenstellingen gevormd. We hadden het al over een kraakpand en een kraakwacht, maar in de Haagse Post kwamen we in 1986 ook een kraakpot tegen: een slangterm voor een lesbische kraakster. Volgens het tijdschrift zijn deze dames herkenbaar aan hun kapsels, die soms krachtig met de tondeuse bewerkt zijn.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen