28 november 2005

Kluivenduikers

Mijn fascinatie voor het Bargoens begon zo'n vijftien jaar geleden, toen ik tijdens een bezoek aan zondig Amsterdam een beduimeld boekje uit de ramsjbakken viste. De auteur kende ik niet, maar zijn naam (Haring Arie) en de titel van het werk (Een leven aan de Amsterdamse zelfkant) prikkelden de verbeelding. Tijdens het lezen van dit merkwaardige boek ging een verrassende wereld voor mij open. Niet alleen kreeg ik een kijkje achter de gevels van donker Amsterdam, ook werd het mijn eerste kennismaking met het Bargoens. Over de literaire waarde van deze volksroman kunnen we kort zijn - die is zo goed als nihil - maar de taal waarin het werk geschreven is, is die van de straat: kleurrijk, ruw tot vulgair en vaak humoristisch.

Haring Arie was in het Amsterdam van de jaren zestig bekend als straatvechter, die een paar jaar in de lik (Bargoens voor gevangenis) had doorge­bracht (voor inbraak, mishandeling, ordeverstoring, enz.). Hij speelde een actieve rol in het woelige leven van de Amsterdamse penoze (onderwereld, van Hebr. parnosoh 'beroep, kostwinning') en het gesloten wereldje van hoeren, pooiers en bikkers. Voor de galg geboren en berucht om zijn drank- en vechtlust onthult deze rasverteller in meerdere boekjes zijn levensloop als dokwerker, haringventer (vandaar zijn bijnaam), inbreker, pooier, uitsmijter, tassenknipper en meer uit de verzameling twaalf ambachten, dertien ongelukken. Alles is gekruid met het sappige, vaak ruwe Amsterdams. Het is vooral dit speciale taalgebruik dat zijn oeuvre interessant maakt. Veel door hem gebruikte woorden vinden we inmiddels terug in het Bargoens Woordenboek van Enno Endt. Dat kan ook geen toeval zijn: Endt heeft het boek van de haringventer opgenomen in de bronnenlijst.

Een van de vele Bargoense termen die mij zijn bijgebleven uit het werk van Haring Arie, is 'kluivenduiker', wellicht omdat het woord iets mysterieus heeft. De auteur gebruikt het meer dan eens, evenwel zonder het nader te verklaren. Uit de context kunnen we afleiden dat het nu eens gebruikt wordt in de betekenis van 'onnozele hals', dan weer in de zin van 'uitzuiger, klaploper'. Ook Endt is het scheldwoord niet ontgaan. Hij geeft als omschrijving 'stommeling, naïef of saai persoon'. Ik had eigenlijk gehoopt wat meer uitleg te krijgen over de herkomst, maar ik word afgescheept met een verwijzing naar een zekere L.G. de Graaf, die in het Leids Jaarboekje (1961) de term opnam met de eigenaardige toevoeging 'iemand die onder de toonbank duikt, waar in een tobbe de kluiven gereed liggen'.

Papperlapap, daarmee voelde ik me toch wel het bos in gestuurd, want wat met kluiven nu juist bedoeld werd, daar had ik het raden naar. Dan maar Van Dale erbij gehaald. Ook daar nul op het rekest, want dit gezaghebbend woordenboek kent geen kluivenduikers, wel kluivers, gewestelijk voor 'venten, kerels'. In de zestiende eeuw was een kluiver ook een gerechtsbode. Bij Kiliaan vinden we bij het lemma kluiver als uitleg 'exactor, exactor rei judicatae'.
Of er enige verwantschap bestaat met de kluivenduiker van Haring Arie, is onduidelijk. Natuurlijk kent Hans Heestermans, een van de samenstellers van de dikke Van Dale, het woord wel. Hij neemt het zelfs op in zijn succesvol lexicon van invectieven, ‘Luilebol - Het Nederlands Scheldwoordenboek’ (1989). Verder dan Endt - die hij citeert - komt hij niet.

Enig speurwerk wijst uit dat kluiven in de volkstaal ook werd gebruikt voor 'klauwen, handen' ('Pas op dat ik je niet in m'n kluiven krijg'). In die betekenis komt het al voor in de klucht van P. Bernagie, De ontrouwe kantoorknecht (1685): 'Je zult heel fijn moeten spinnen, eer jij uit onze kluiven raakt'. Ook hier zie ik niet direct een verwantschap met onze kluivenduiker.
Een sleutel tot de oplossing van het mysterie verschaft ons Peter Hoefnagels, auteur van een verzameling alternatieve (lees: onbekende) spreek­woorden. Een eerste collectie verscheen in 1983 onder de titel ‘Je zwam te grabbel gooien’. Ze kreeg een vervolg in 1987 met ‘Een kluivenduiker de hand schudden’. Deze zegswijze wordt door Hoefnagels verklaard als 'bedrogen worden en uitgezogen. Vaak materieel: tot de laatste cent uitgekleed worden'. In het algemeen betekent het volgens de auteur: 'uitgeput worden door iemand. Wordt wel gezegd van een uiterst vermoeiend huwelijk'. Deze laatste betekenis zou de oudste zijn. Hoefnagels denkt aan het oude klieven of kluiven. Wanneer een kluifduiker (of kluivenduikertje) je de hand schudt, zuigt hij m.a.w. het merg uit je botten. Een kluif­duiker staat ook voor een zeurkous, iemand die een ander te lang aan de praat houdt, maar dat is volgens de samensteller van dit aardige boekje een inflatie van de term. Er wordt bij deze zegswijze nog melding gemaakt van een zekere Regina Buursing, de vroegere directrice van de Rotterdamse schouwburg. Die had namelijk een grote behen­digheid ontwikkeld om kluifduikers te vermijden, zo vertelt Hoefnagels.
Wat volgt is minder interessant, maar dat de zegswijze een ‘kluifduiker de hand schudden’ in Rotterdam gebruikelijk was, kan er wellicht op wijzen dat we hier met een regionaal scheldwoord te maken hebben. Is de kluifduiker (of kluivenduiker) van huis uit Rotterdams?
De oudste vindplaats die ik kon traceren, wijst in elk geval in die richting. De Rotterdamse volksschrijver Willem van lependaal publiceerde in 1937 een boek met als titel ‘Kluivenduikers Doedeldans’. Desondanks komt het invectief niet voor in de Rotterdamse idiotica (Opoe Herfst en Terugkeer van Opoe Herfst). Bovendien gebruikte ook Haring Arie, een Amster­dammer, het. Dat zegt natuurlijk nog niets. Hij kan het woord opgepikt hebben tijdens een bezoek aan Rotterdam!
Ook de auteur Leonard Huizinga was vertrouwd met kluivenduikers. In zijn roman ‘Adriaan met Olivier natuurlijk’ (1977) zijn het 'naïevelingen, simpele zielen die menen anderen ‘in het pak te kunnen nemen’ (Bargoens voor 'bedriegen')'. Toch komen we ook hier niets te weten over de herkomst. Daarom doe ik zelf maar een gooi. De verklaring van Hoefnagels mag dan plausibel lijken, helemaal overtuigen doet ze mij niet!

Het sleutel­woord is natuurlijk kluif. Niet alleen betekent dit volgens de dikke Van Dale 'hand als datgene waarmee men begerig grijpt of gevat houdt (meestal fig.), syn. klauw', maar ook '(stuk) been, m.n. varkensschenkel, met vlees eraan, dat men afkluiven kan'. Kluif had (heeft) evenwel een Bargoense betekenis, die we niet bij Van Dale, Koenen of Endt terugvinden, wel bij Koster Henke in zijn zakwoordenboek van het Bargoens: De Boeventaal (1906). Daarin wordt kluif gedefinieerd als 'een hartig stuk van de slager. Schertsend ook voor een stuk koek'. Maar tijdens het interbellum moet kluif 'fooi of aandeel van handel of kraak' zijn gaan betekenen. De Bargoense woordenboeken maken hiervan geen melding. Enkel Haring Arie signaleert het woord in zijn boeken meermaals in deze betekenis. In ‘Recht voor z’n raap’ (1972) heeft hij het zowel over kluivenduikers als over kluifjes ('deel van een som geld'). Hij verhaalt over een vrouw die in het leven zit (als prostituee werkzaam is) en wier pooier een ouderwetse inbreker is. Telkens als de man een lekker stootje had gemaakt (Bargoens voor 'een goede slag geslagen', een uitdrukking ontleend aan het biljarten), hoefde de vrouw niet langer de hoer te spelen en werd er gefeest tot de poen op was. Uit het eerste huwelijk had deze vrouw drie kinderen, die - aldus de auteur -elke week hun ‘kluifje’ kwamen halen, en toen ze gingen trouwen, werd alles door hun moeder betaald. De wekelijkse kluif ging gewoon door. De man mocht hiervan niets weten, want die had niet zoveel op met die kluivenduikers. Ondertussen is wel duidelijk dat het beter is zulke lieden niet in huis te halen want ze zuigen je helemaal leeg.

Is de kluivenduiker nu geruisloos uit onze woorden­schat verdwenen? Niet helemaal. Ik kwam hem nog tegen in een boek uit 1988, van een zekere Wil Schackmann: ‘Genoeg gesold’. Daarin komt de volgende zin voor: 'En ja hoor, heb ik m'n wagen volgeladen met kluiveduikers die n-i-e-t m-e-e-r g-e-s-o-l-d willen worden'. De kluivenduiker volledig afvoeren, zoals in het Vergeetwoordenboek (1994) van Nicolaas Matsier gebeurt, is hem onrecht aandoen. Kluivenduikers zijn immers van alle tijden.

4 opmerkingen:

  1. Anoniem7:37 p.m.

    Beste Marc de Coster,

    Mijn complimenten voor je leuke en taalgevoelige blog.
    Waarop ik mijn eigen naam tegenkwam als een van de recentere gebruikers van het woord kluive(n)duikers.
    Die vermelding heeft - natuurlijk - geleid tot diepgaand zelfonderzoek. Waar heb ik die kreet in hemelsnaam opgedaan en in welke betekenis?
    Het spijt me erg je te moeten zeggen dat ik geen enkel uitsluitsel kan geven. Ik moet het een keer iemand hebben horen zeggen, maar ik weet het niet meer.
    Daarmee is de herkomstvraag Rotterdam-Amsterdam onbeantwoord, want ik ben geboren en getogen in de eerste en heb daarna vijftien jaar in de tweede gewoond voor ik het boekje schreef, dus het kan uit allebei komen. En over de betekenis kan ik ook geen zinnig woord zeggen. Het spijt mij zeer.
    Het enige wat ik wel kan reconstrueren, is wat het woord bij mij deed beklijven.
    De klank.
    De harde 'k's maken het tot een belediging, iets wat je zegt tegen iemand die niets dan verachting waard is, terwijl de dubbele 'ui' aangeeft dat de aangesprokene te onbelangrijk is om je echt druk te maken. Een mooier woord om 'onbenul' te zeggen, ken ik niet.

    Als iemand twijfelt, dan mag die het gerust proberen: zeg op een willekeurige avond tegen een willekeurige agent of conducteur oid een keer 'kluivenduiker' en ik weet zeker dat u de nacht in de cel doorbrengt, ook al hebben agent of conducteur oid geen flauw benul wat u precies gezegd heeft.

    Met vriendelijke groet,
    Wil Schackmann

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Anoniem9:41 a.m.

    Geachte heer,

    op uw weblog aangespoeld vanwege een zoekactie naar Haring Arie, las ik met plezier het onderzoekje naar de 'kluivenduiker'.

    Een kleine toevoeging: ik plaats het woord ook aan de kust (Scheveningen?) omdat ik weet dat het gebruikt wordt door een dame jegens een heer die geheel in pak op een zomerse dag het strand op gaat. Dat beeld heb ik gezien (vermoed ik ...) in 1 van de films van Bert Haanstra.
    Er spreekt in ieder geval minachting uit het woord, zoveel is zeker.

    Met beste groet,
    (Haring) Arie in 't Veld

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Anoniem10:06 p.m.

    De kluivenduiker is terug. Arie Balk, uit de hernieuwde serie 'Het Schaep' wordt door zijn medespelers regelmatig uitgemaakt voor Kluivenduiker als hij zijn gevoelige vrouw weer eens lomp bejegent.

    BeantwoordenVerwijderen
  4. Mijn vader, destijds werkzaam in het milieu van hardwerkende textieljoden rond de Nieuwmarktbuurt, gebruikte het woord kluiveduiker bijna liefkozend.
    Zijn definitie: "Een kluiveduiker is een duiker die naar kluiven duikt."

    BeantwoordenVerwijderen