14 november 2005

Journaille

Als er één beroepsklasse is die tegenwoordig vaak in het verdomhoekje staat, dan is het wel die van de journalisten. Persmuskieten, paparazzi, hoernalisten (een bedenksel van W.F. Hermans) en journaille, het zijn geen fraaie benamingen voor de vertegenwoordigers van wat ook wel positief de koningin der aarde wordt genoemd.

Met het scheldwoord journaille is overigens iets raars aan de hand. Niet alleen hebben de woordenboekenmakers geen idee wie de term heeft bedacht, ze beschouwen het ook als een vrij jong woord. Volgens Van Dale zou het pas na 1950 gevormd zijn, terwijl het WNT (de schatkamer van onze taal) het bij één enkele vindplaats houdt: het tijdschrift Margriet uit 1974. Lezers van de Amsterdamse krant Het Parool denken misschien dat het woord een bedenksel is van cineast, journalist en filmproducent Jan Vrijman (pseudoniem van Jan Hulsebos, 1925-1997). Onder de naam Journaille becommentarieerde hij in die krant wekelijks het leven. Zijn eerste column verscheen evenwel pas op 2 januari 1985, hoewel hij de naam al vroeger gebruikte. Als Jean Journaille (zijn nom de plume) schreef hij drie jaar eerder al korte stukjes met koddige woordspelingen en naamgrappen. Die verschenen dan o.a. in Vrij Nederland en Haagse Post. De krakersrellen in de Amsterdamse Vondelstraat in 1980 vormden de aanleiding voor zijn woedende rubriekjes in Het Parool. Toch is Jan Vrijman niet de geestelijke vader van het woord journaille.

Het eerste Nederlandse woordenboek waarin de term vermeld wordt, is het Supplement op de 8e druk van Van Dale (1970), bewerkt door C. Kruyskamp. Misschien baseerde Van Dale zich op een vindplaats uit 1963. In het boek ‘Zo was het’ (over het journalistieke bedrijf) van volksschrijver Piet Bakker stuiten we op de zinsnede: “ploertenjournalistiek van verachtelijk journaille”. En er zijn nog oudere voorbeelden. In ‘Anna’(Annejet van der Zijl, 2002) staat bijvoorbeeld te lezen dat Ed. Hoornik omstreeks eind 1947 over Annie M.G. Schmidt had gezegd of geschreven dat zij de “lieveling van het Amsterdamse journaille” was. De vindplaatsen die wij konden achterhalen, dateren allemaal uit de jaren dertig van de twintigste eeuw. Het archief van de Groene Amsterdammer leverde maar liefst drie bewijsplaatsen uit die periode, waarvan de oudste uit 1932. Tot dusver is dit dus de oudste vindplaats van het scheldwoord journaille in het Nederlandse taalgebied: “De onvolprezen leden van het journaille, die de Duitsche Magazines van tekst en foto's voorzien, zouden dit boekje van Cowboy-Kees zeker véél beter hebben uitgegeven.”

Maar eerst even wat etymologische informatie over de pejoratieve term journaille. Het mag ondertussen wel bekend zijn dat we hier te maken hebben met pseudo-Frans. Journaille is een samensmelting van twee Franse woorden: journal (of journaliste) en het pejoratieve achtervoegsel –aille, zoals in dat andere populaire scheldwoord canaille ‘gepeupel, janhagel’. Canaille is afgeleid van het Italiaanse cane (Latijn: canis) ‘hond’. Het verzamelbegrip is canaglia ‘hondentroep’. Napoleon bezat naar verluidt een zorgvuldig aangelegde zwarte lijst van personen die hem vijandig gezind waren. Op het titelblad had hij met eigen hand in het Italiaans en het Frans de woorden canaglia-les canailles geschreven. Het journaille is de opruiende pers die zich van allerlei lage middelen bedient, uitsluitend om sensatie te maken en daaruit geldelijk gewin te slaan.

Een speurtocht op het web en in Duitse woordenboeken wijst uit dat dit invectief in het begin van de 20e eeuw (volgens sommigen in 1902) voor het eerst in omloop werd gebracht door de Weense satiricus en publicist Karl Kraus (1874, Gitschin, Bohemen - 1936, Wenen). Toch is journaille geen bedenksel van hem. Het woord werd hem als het ware op een presenteerblaadje aangeboden door Alfred Freiherr von Berger (1853-1912), de directeur van het Weense Hofburgtheater. Dankzij het Oostenrijkse tijdschrift Die Fackel (waarvan in april 1899 het eerste nummer verscheen) werd journaille een gevleugeld woord. In het Duits is de term – althans volgens Duden – tegenwoordig wat verouderd, maar bij ons is daarvan nog niets te merken.

Hoewel het werk van Kraus geschreven is tussen 1890 en 1936, is het helemaal niet verouderd. Wie ook maar iets afweet van Oostenrijk en zijn politiek, zal merken dat veel zaken die Kraus bekritiseerde, nog steeds aan de orde van de dag zijn. Een van zijn hoofdthema’s was de Duitse taal en haar vervuiling door de pers. Hij mag dan wel een taalzuiveraar geweest zijn, zelf had hij geen afkeer van vreemde woorden. Hij gebruikte ze als ze van pas kwamen, maar stond erop dat de Duitse taal grammaticaal correct werd gebruikt. Zelfs voor veel Duitsers komen sommige dingen die hij becommentarieerde, over als muggenzifterij.

Kraus was niet alleen journalist, acteur en criticus, hij was ook nog dichter en toneelschrijver. Als hij in onze digitale mediawereld geleefd had, dan had hij zonder twijfel op het wereldwijde web gepubliceerd i.p.v. in het Oostenrijkse tijdschrift Die Fackel. Als enige redacteur handelde hij daarbij steeds in eigen naam en voor eigen rekening. In meer dan 1.000 artikelen fulmineerde hij tegen de uitwas van de journalistiek, het gezamenlijke journaille. Al vroeg leerde hij als jonge medewerker bij het grootste dagblad van Oostenrijk-Hongarije, de Neue Freie Presse, de mechanismen van het krantenbedrijf. Zijn juridische beslagenheid bewees Kraus tijdens een aantal processen die in de jaren twintig (van de twintigste eeuw) tegen hem liepen.

Von Berger, de directeur van het Weense Hofburgtheater, die Kraus de vondst journaille verschafte, promoveerde met zijn werk over Descartes, doceerde filosofie en esthetica en hield vlot bijgewoonde lezingen aan de Weense universiteit. Na een reis naar India en Ceylon werd hij in 1887 artistiek secretaris van het Burgtheater en organiseerde hij op toonaangevende wijze het repertoire. In 1889 trouwde hij met Burgtheateractrice Stella von Hohenfels. Nadat een nieuwe directeur voor het Burgtheater was aangesteld, stortte hij zich steeds meer op het theater en in 1896 werd hij tot hoogleraar benoemd. Zijn literaire werk (de novelle Hofrat Eisenhardt uit 1911) kon weinig overtuigen. Over de omstandigheden waarin Von Berger zijn trouvaille aan Kraus toevertrouwde, is weinig bekend. Wel zou de laatste gezegd hebben: “Ein geistvoller Mann hat mir neulich, da wir über die Verwüstung des Staates durch die Pressmaffia klagten, diese für meine Zwecke wertvolle Bezeichnung empfohlen, die ich hiermit dankbar dem Sprachgebrauch überliefere!” Die intelligente man was uiteraard Alfred Freiherr von Berger. Hij kan de geschiedenis ingaan als de geestelijke vader van het scheldwoord journaille, maar uiteindelijk was het de satiricus Karl Kraus die het woord vleugels gaf.

Tot nog toe is journaille geen geuzennaam geworden. Als het dat wel geworden was, dan zou Kraus zich ongetwijfeld omdraaien in zijn graf.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten