14 november 2005

Vakidioten

“Dezelfde politici die in talkshows en zelfs spelletjes de popi-jopie uithangen, staan de gezaghebbende vakidioot uit te hangen in de Tweede Kamer”, dat stond niet zo lang geleden in Vrij Nederland. Vakidioot is een geringschattende aanduiding voor iemand die alleen verstand heeft van of kan meepraten over dingen van zijn eigen vakgebied, een kleingeestige specialist die niet verder kijkt dan zijn (wetenschappelijke) neus lang is. In de jaren dertig van de vorige eeuw noemde de schrijver Menno ter Braak zo iemand ook wel een vakdier en in de studententerminolgie van begin twintigste eeuw hadden ze het vaak over een vakhengst.

Het weinig eervolle etiket vakidioot wordt niet vermeld in het WNT. Met de drie delen aanvullingen (verschenen in 2001) werd de tijdsgrens van dit woordenboek verschoven naar 1976. Vakidioot is minstens tien jaar jonger, maar staat niet in het grootste Nederlandse woordenboek. De taalkundige Maarten van Nierop (Nieuwe Woorden – Verklarend en verhalend woordenboek van modern taalgebruik, 1975) was een van de eersten die de bedenker(s) van de term probeerden te achterhalen, maar hij kwam niet verder dan de Duitse studentenkringen, waarin het woord begin jaren zestig van de vorige eeuw furore maakte. Had Van Nierop gebruik kunnen maken van het wereldwijde web, dan had hij wellicht meer achterhaald. Zonder twijfel hebben wij het woord ontleend aan het Duitse Fachidiot. Duitse bronnen schrijven dat invectief toe aan Karl Marx. Die gebruikte tweemaal de term Fachidiotismus in zijn Elend der Philosophie. Dat werk is geschreven in 1846-1847 en gepubliceerd in 1885. Met vakidioot bedoelde Marx iedere wetenschapper die de maatschappelijke werkelijkheid uit het oog verloor door zich te specialiseren in een eng vakgebied. Maar het idee is al ouder. Lang vóór Marx was het de Duitse romanschrijver, dichter en humorist Jean Paul (pseudoniem van Johann Paul Friedrich Richter, 1763-1825) die schreef: “Jeder Fachmann ist auf seinem Gebiet ein Esel!” (of: “Jeder Fachmann ist in seinem Fach ein Esel.”).

De specialist op het gebied van de Duitse volkstaal – ook een vakidioot dus – dr. Heinz Küpper (Wörterbuch der deutschen Umgangssprache, 1987) meent dat het woord pas echt populair werd rond 1963 door toedoen van Duitse studenten aan de Vrije Universiteit van Berlijn. Mogelijk werd het bij ons in (rebellerende) studentenkringen rond 1968 geïntroduceerd om later in ruimere kring bekend te raken. Jonge studenten over de hele wereld verzetten zich toen tegen de de westerse consumptiemaatschappij en toonden zich erg kritisch tegenover experts en specialisten. De traditionele wetenschapper was in hun ogen een vakidioot die niet besefte welk maatschappelijk doel zijn onderzoek diende en waar de maatschappelijke oorzaken van alle problemen lagen. De heersende wetenschap was de wetenschap van de machthebbers. Dat was de ideologie van de Frankfurter Schule. De jongeren van toen wilden niet langer door vakidioten opgeleid worden tot nieuwe vakidioten. Ze wilden zich als staatsburger ontwikkelen door politieke informatie te vergaren en politieke discussies aan te gaan. Hun wensen kwamen neer op een democratisering van de universiteit.

Wat ons taalgebied betreft, vermeldt Picarta het tijdschrift Vakidioot: maandblad voor de subfaculteiten wis-, natuur- en sterrekunde te Utrecht, dat verschijnt sinds 1968. In 1970 werd door een aantal studenten aan de gemeentelijke Hogere Technische School (HTS) Oudenoord in Utrecht de actiegroep Vakidioot opgericht. De groep had vooral kritiek op de ‘eenzijdige technische gerichtheid’ van de opleiding. Er moest meer aandacht worden besteed aan ‘maatschappelijke bezinning’.

De vroegste Nederlandse vindplaatsen die ik heb kunnen achterhalen, dateren van begin jaren zeventig van de vorige eeuw. Uit Ferdinand Auwera, Geen daden maar woorden (1970, interview met Theo Lefèvre) komt het volgende citaat:

“In uw boek ‘Amerika en wij’ spreekt u over het universitair onderwijs in Amerika en zegt o.m.: ‘... verouderde vakken sterven weg, de moderne bloeien en ontwikkelen zich. Geheel naargelang de variërende noden van de gemeenschap.’ Houdt juist een dergelijke ontwikkeling niet het gevaar in dat de productie van vakidioten toeneemt, en het onderwijs gedegradeerd wordt tot iets wat economisch manipuleerbaar is?”
Lefèvre antwoordt hier o.a. op:
“En wat de productie van vakidioten betreft, die zal in elk systeem blijven bestaan. Iedereen met een beetje intellectuele nieuwsgierigheid zal altijd tijd en gelegenheid vinden om ook eens over de grenzen van zijn vak te gaan kijken. De meesten zullen dat niet doen. Ik schat dat 3/4 van alle afgestudeerden zich tot vakidioten ontwikkelen.”

Een ander vroeg voorbeeld is Lidy van Marissing, 28 interviews (1971, Louis Andriessen: Muziek is geordend geluid). Daaruit komen de volgende regels:
“Muziek is geordend geluid. Muziek is ‘dat geluid dat bepaalde chemische reacties in mijn hersenen in trilling brengt’. Dat is het antwoord van de vakidioot. Als Willem Breuker en zijn vrienden ontzéttend hard door elkaar spelen vind ik het wel goéd. Jan Cremer zou waarschijnlijk antwoorden: muziek is muziek die ik leuk vind.”

Verder citeren we nog Beroepsgeheim – Gesprekken met schrijvers van Willem M. Roggeman uit 1975:
“Je zou heel goed kunnen stellen dat de persoonlijkheid van de mens zich het best manifesteert in de bezigheden die hij vrijwillig naast en buiten zijn beroep uitoefent. Heb je echter al opgemerkt hoezeer het precies de onvrije vakidioten zijn die officieel worden geprezen?”

De Engelse Van Dale vertaalt vakidioot met ‘narrow-minded specialist’ of meer algemeen met behulp van de ook bij ons ingeburgerde term freak (een chemistry freak bijvoorbeeld). Ook nerd zou een degelijk Engels synoniem kunnen zijn. Dit is een moeilijk vertaalbaar begrip uit de computerwereld en de jeugdtaal. Het wordt zowel negatief (mietje, kneus of vakidioot) als positief (bolleboos of computerprofessor) gebruikt. Het clichébeeld van een nerd is een gebrilde en gepukkelde jongeman met een schichtige blik en een duidelijk aanwezige zweetgeur, een saaie vent dus. Vrouwelijke nerds zijn moeilijker te herkennen. In 1998 verscheen van de hand van Max de Bruijn het Handboek voor de nerd. “De klassieke nerd was het wiskundetype met de verkeerde overhemden, het sulletje dat bij gym altijd het laatst werd gekozen. De moderne nerd zit in cybercafés te internetten. Volgens sommigen is hij de Nieuwe Mens.”, zo lezen we in de Groene Amsterdammer in 1996.

De oudste Amerikaans-Engelse vindplaats van het woord komt uit 1957. De term werd evenwel pas echt populair in de jaren zeventig. Volgens sommigen zou dat te wijten zijn aan het veelvuldige gebruik ervan in de televisieserie Happy days. Een van de hoofdfiguren, Fonz, zou het woord meer dan eens in de mond genomen hebben. De herkomst van nerd is evenwel onduidelijk. Sommige lexicografen zien er een variant in van de slangterm nert (uit de jaren veertig van de vorige eeuw), op zichzelf al verwant met nut ‘gek’. Volgens anderen zou het om een nonsenswoord gaan, bedacht door Theodor Geisel, in zijn boek If I ran the Zoo.

Computerfreaks worden ook wel spottend aangeduid met de Engelse termen geek en alpha-geek. Krijgt vakidioot ooit nog een positieve connotatie? Op 9 december 1997 kopte Bild-Zeitung: "Lieber Fachidiot als ein Vollidiot."

1 opmerking:

  1. Dag Marc,
    Gefeliciteerd. Leuk Blog. Prettig leesvoer. Je boeken lijken me ook de moeite waard.
    Mijn enige commentaar: de zwarte letters op 'navy' achtergrond lezen wat moeizaam, maar met onderste boven gehouden laptop of iBook valt het wel weer mee.
    Wat betreft 'freak', tijdens mijn middelbare schooltijd in Groningen veranderden wij (de redactie) de naam van de voordien respectabele schoolkrant van het Heijmans College in Rietfriek (of Riet Friek), vrij naar 'Read Freak'.

    BeantwoordenVerwijderen