14 november 2005

Geitenbreiers

De modale Vlaming kent geen geitenbreiers. Nederlanders daarentegen zijn er als het ware mee opgegroeid, d.w.z. vooral de dertigers onder hen. Op 16 januari 1974 startte de VARA met ‘De Film van Ome Willem’. Het was in dit erg populaire kinderprogramma dat de geitenbreier furore maakte. Het programma was een initiatief van Aart Staartjes maar ‘ome Willem’ werd gespeeld door Edwin Rutten. Deze had altijd drie mensen om zich heen: Teun (Jennifer Willems), Toon (Aart Staartjes) en August (Pieke Dassen). Ome Willem werd bovendien nog begeleid door de Geitenbreiers: een orkestje met instrumenten zoals piano, accordeon en bass. De hoofdgeitenbreier was Harry Bannink. Verder was er de papjesgeitenbreier (Frank Nova) en de grote grijze geitenbreier (Harry Mooten). Er waren zelfs unieke plasgeitenbreiers (man of vrouw). Deze kwamen nooit in beeld maar stonden wel altijd klaar om de kinderen naar het toilet te begeleiden. In feite waren ze de administratieve medewerkers van de VARA.

Dankzij ‘De Film van Ome Willem’ kreeg het woord geitenbreier een positieve connotatie, hetgeen tevoren volstrekt niet het geval was. Want bekend was het woord toen zeker!

Volgens de grote Van Dale is een geitenbreier tegenwoordig een ‘halfzacht figuur of een zeurpiet’. Het woordenboek honnoreert de term pas in de 11de druk uit 1984, vrij laat in feite!

De hedendaagse Van Dale geeft enkel als verklaring: ‘sukkel’, met als betekenisverwante term: zonderling. In de aanvullingen op het WNT wordt het woord omschreven als ‘scheldwoord met (bewust?) onduidelijke toepassing.’

Geitenbreier is van oorsprong een Bargoens woord. Het wordt bijvoorbeeld vermeld door Endt in zijn Bargoens Woordenboek (uit 1974). De omschrijving luidt: ‘scheldwoord voor iemand die zeurt, of suf geacht wordt’. Echter geen herkomstaanduiding en geen jaartal!

In ‘Een taal van horen zeggen. Bargoens en andere ongeschreven sterke taal’ (uit 1969) van dezelfde auteur, komt geitenbreier eigenaardig genoeg niet voor. Ook andere Bargoense woordenlijsten uit het begin van de 20ste eeuw maken er geen melding van. De oudste vindplaats in het WNT is er één uit 1968 (Paul A. Wilking: De roerige wereld van Pistolen Paul.1968) en dat is vreemd want dit invectief is beslist een stuk ouder.

Het dook bijvoorbeeld op in een conference van Toon Hermans (opgenomen op 18 maart 1958), op een moment dat de cabaretier net populair begon te worden. Hermans vertelt hierin dat hij gekampeerd heeft in Tirol. Er waren daar vooral veel geiten, en er zat een oude herder wat bij te breien. "Zo'n geitenbreier, weet u wel." Dit tot grote hilariteit van het publiek.
Het woord werd eerder opgetekend in 1955.
‘Oewoe-oe-oe-oe! wat een geitebreier! Rotterdammerland en Friesland!’ lezen we bij G.P. Smis (Het nieuwe Spionnetje. Onder de schaduw van de Westertoren: Roman uit de Jordaan. 1955).
Het zou dus om een van oorsprong Amsterdams scheldwoord kunnen gaan. Die stelling wordt ondersteund door de tot nu toe oudste vindplaats: Maurits Dekker: Amsterdam bij gaslicht. 1949. Achteraan het boek neemt de auteur een, volgens hem, ‘niet volledig lijstje van in onbruik geraakte of rakende woorden’ op. Tussen geeltje (bankbiljet van 25 gulden) en genezerik (arts) zit de geitenbreier (toen nog zonder tussen –n), met als omschrijving: ‘zeurpiet’. Dat de geitenbreier toen al op zijn retour zou zijn, lijkt eigenaardig. Want waarom werd het woord niet eerder geboekstaafd? Köster Henke (De boeventaal. 1906) en E.G. van Bolhuis (De Gabbertaal. 1937) kenden het scheldwoord niet. Bovendien werd in een eerdere uitgave van de roman van G.P. Smis, nl. ‘Het Spionnetje’ (verschenen in 1940) niet het woord geitenbreier gebruikt maar een gelijkaardig invectief: druif (een vermakelijk, mal figuur; maar ook: een verachtelijk mens). In de vorige uitgave staat dus: ‘Wat ‘n druif hè? Ferbeil je Rottirdammirland en oewoe-oe-oe-oe, ‘t is om te brulle’.

Mogen we hieruit concluderen dat het woord geitenbreier ontstaan is tussen 1940 en 1949 (eerste geschreven vindplaats) en dat het om een van oorsprong Amsterdams woord gaat?

Ook de samenstelling van het woord is intrigerend. Het is onduidelijk waarom woorden zoals ‘geit’ en ‘breien’ (allebei symbolen van sulligheid?) met elkaar verbonden werden. In de associatie van ‘zeuren’ met ‘breien’ zit wel iets en een geit staat nu eenmaal voor domheid.
Sommigen zien een parallel met het oudere invectief muizebreier (pezewever, lanterfanter) maar eerder lijkt het mij een variant op geitenkop (dom iemand). Geitenbreier zou dan gekozen zijn omwille van het rijm, niet ongewoon bij scheldwoorden.
In ieder geval is de betekenis van het woord met de jaren breder, tot zelfs vaag, geworden.
De verdere ontwikkeling, als werkwoord, kon niet uitblijven. Zo lazen we een paar jaar geleden in NRC Handelsblad:
Het regent dat het giet in het Big Brother-huis, maar de jongens gaan niet naar binnen. Annet zit daar te geitenbreien en weer begrip op te brengen voor de Limburgse pruimenvlaai die luistert naar de naam Desiree en het "ieventjes eel errgj moeilijk hjeeft".
(c. Marc De Coster, 2005)

2 opmerkingen:

  1. Anoniem11:14 a.m.

    Geachte menneer De Coster,
    Ik ben een student uit Hongarije. Ik studeer ann de Universiteit van Debrecen (Nederlandse letteren en taalkunde)en ik ben aan het afstuderen. Nu ben ik bezig met mijn eindscriptie die over het slang gaat.Ik probeer de angelsaksische en de nederlandse opvttingen van slang te vergelijken en confronteren. Hoofdzakelijk heb ik belangstelling voor de definities van het slang. Nu ben ik gestrand want ik heb er niet genoeg literatuut over dit thema.Ik heb al C. G.N de Vooys, en uw artikelen (Woordenboek van jargon en slang) gelezen maar ik zou meer opvattingen erover nodig heb.Kunt u me helpen om werken van enkele taalkundigen te geven die over het slang schreven en ie met het bepalin van slang bezig houden.
    Mijn e-mail adress is lginver@yahoo.com. Daar kunt u iets sturen als u dat wel zal doen!
    Dank u voor uw help!

    Hoogactend,
    juf. Gyöngyvér Lukács

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Geachte meneer De Coster,

    bedankt voor deze blog.
    Al grasduinend door de Van Dale en surfend op het net, stootte ik, in mijn zoektocht naar de etymologie van het woord geitenbreier (dat me zodoende dus erg intrigeerde) (vraag maar niet hoe ik erbij kwam), op uw blog. Enige opheldering uwentwege later, werd mijn vocabulaire dus verrijkt.
    Hiervoor dank.
    Ik ben zekerlijk van plan, nog meer te lezen.
    Gegroet,
    de 'lexicomane' in een studente Taal-en Letterkunde.

    BeantwoordenVerwijderen