23 november 2005

Aaibaarheidsfactor

Dit is een schertsende benaming voor de mate van genoegen ondervonden door het aaien, knuffelen of vleien van bepaalde huisdieren, en bij uitbreiding ook mensen en dingen.
Een alligator heeft bijgevolg een erg lage aaibaarheidsfactor. Honden en katten, maar ook de wasbeer, scoren dan weer zeer hoog.
Bij zaken of voorwerpen springt de iPod er ongetwijfeld uit. Dit apparaat is gemakkelijk te bedienen en erg trendy. Het heeft dus een hoge aaibaarheidsfactor.

De term 'aaibaarheidsfactor' werd rond 1969 populair gemaakt door Rudy Kousbroek. Hij schreef: ‘soorten met aaibaarheidsfactor gelijk nul; dit zijn beesten die weliswaar theoretisch aaibaar zijn, maar zonder dat dit voor aaier of geaaide de bron is van enige sensatie.’
Maar of hij ook de geestelijke vader was van dit begrip is een andere zaak.
Het tijdschrift ‘Gezin en Samenleving’ zou er volgens een briefschrijfster al een jaar eerder gewag van hebben gemaakt.
De uitdrukking sloeg echter pas echt aan in de jaren tachtig van vorige eeuw.
Bijvoorbeeld bij de introductie van de Renault Twingo.

Hierna werden allerlei samenstellingen met –factor als tweede lid erg populair. Zo werd in Cosmopolitan (maart 1993) een nieuwe auto aangeprezen met de slogan ‘Kies voor de hoogste flirtfactor’. Elders werden samenstellingen gevonden zoals: bespreekbaarheidsfactor, lulligheidsfactor, troetelfactor.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen