01 december 2005

Eurocraten

Dat de Europese gedachte al bij aanvang op weinig sympathie kon rekenen van Jan Pet en Truus Thuis, bewijst het scheldwoord eurocraat, dat begin jaren zestig van de twintigste eeuw voor het eerst opdook. Mogelijk ontstond de term in kringen van Britse politici. De Britten (Thatcher en Major voorop) zijn immers altijd eurosceptici geweest. Hun afkeer voor Europa hebben ze nooit onder stoelen of banken gestoken.
‘Eurocraat’ vinden we voor het eerst terug in een artikel in The Economist van 1961: ‘These new ‘Eurocrats’ are worth watching’.
In de Franse pers duikt het woord pas op rond 1965. In 1968 vermelden de meeste Franse kranten eurocraat nog tussen aanhalingstekens, hetgeen er op wijst dat de term nog niet helemaal ingeburgerd is. In ons taalgebied werd eurocraat in 1979 voor het eerst in een woordenboek opgenomen.

Het woord werd blijkbaar gevormd naar analogie van bureaucraat en technocraat. Bedoeld wordt: een hoge functionaris van de Europese instellingen.
In de verbeelding van de burger zitten deze lieden op stapels papieren, net zoals andere bureaucraten (afgeleid van bureaucratie, een woord dat in de achttiende eeuw werd gevormd door de economist Gournay, 1712-1759). Maar meestal zou hun werk bestaan uit het afschuimen van cocktailparties. Verder zouden ze wagens met chauffeur ter beschikking hebben. Eurocraten handelen in de ogen van de burger vaak te strikt naar de letter van de wet.
De ondertoon van het woord is dan ook smalend. Er wordt gesuggereerd dat het om een elite gaat die weinig interesse heeft voor de rechten van de burgers.
Van eurocraat werd rond 1971 ook eurocratie afgeleid.

Een min of meer gelijkaardig scheldwoord is ‘euro-zeloot’, een vurig pleitbezorger van de Europese unie, iemand die op dweepzieke wijze ijvert voor vergaande bevoegdheden van het europarlement. De term staat nog in geen enkel woordenboek, maar dateert al van de periode voor de Europese top in Maastricht (december 1991), toen de Nederlandse blauwdruk voor de Europese Unie in zo goed als alle EG-lidstaten werd verguisd, want veel te euro-orthodox.
In Vrij Nederland stond in 1991 volgend zinnetje:
‘De neiging zal zijn- en dat gebeurt in de buitenlandse pers al- om Piet Dankert (en zijn staf: de Euro-zeloten) de schuld te geven: terwijl Van den Broeck bezig was overal ter wereld in te grijpen, zou hij zijn stokpaardje van een machtig europarlement te veel bereden hebben’.

De Britten, altijd al tegenstander van een centralistisch Europees bestuur, gebruiken voor de Europese jet-set de slangterm ‘eurotrash’ (naar analogie van ‘white trash’, een scheldnaam voor blanke Amerikanen).
In 1986 stuitte men in de Britse pers op een andere slangterm met betrekking tot Westeuropeanen die de Amerikaanse vergeldingsacties tegen het Libische terrorisme niet wensten te steunen. Deze 'angsthazen' werden in de media bestempeld als ‘eurowimps’
(wimp is Amerikaans slang voor een 'doetje'. Vader Bush werd toen hij nog president was The Wimp genoemd!).
(c. Marc De Coster)

2 opmerkingen:

  1. Deze reactie is verwijderd door een blogbeheerder.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Deze reactie is verwijderd door een blogbeheerder.

    BeantwoordenVerwijderen