18 december 2005

De wakaman maakt een hossel.

De Creoolse jeugd kent al geruime tijd de zgn. wakaman: een jongeman die op school niet kan aarden, moeilijk werk vindt en dan maar gaat scharrelen: op een illegale manier geld verdienen.
Volgens het Parool van 9-5-1992 gaat het om een vrouwenversierder, iemand met een consumptieve instelling en een grondige hekel aan handenarbeid. Hij is slim, modebewust en straatgericht. Bovendien beschikt hij over de ware handelsgeest.
Van Dale heeft het woord al in de vorige editie gehonoreerd: ‘iemand die stoer rondloopt en zijn inkomsten verwerft door te hosselen’. Synoniem: straatslijper.
Wakaman komt uit het Sranan Tongo, de omgangstaal van de meeste Surinamers. Het is een samentrekking van het werkwoord ‘waka’ (lopen) en ‘man’. De eigenlijke betekenis is die van zwerver.
De wakaman is steeds van het mannelijk geslacht en doorgaans jong. Vermits hij geen regelmatige bezigheden - en dus ook geen zekerheid- heeft, is hij gedwongen zwervend langs de straten te lopen, meestal in gezelschap van soortgenoten.
De Surinaamse auteur Edgar Cairo gebruikte de term al in zijn uit 1979 daterende roman ‘Temekoe-Kopzorg’.

Volgens het Woordenboek van het Surinaams-Nederlands (J. van Donselaar. 1989) bestaat er ook zoiets als de wakamanstaal: een jargon gebaseerd op het Sranan Tongo. Het bestaat uit allerlei modewoorden en geheimtaalprocedés, eigenlijk een soort jeugdtaal waardoor de wakamans zich onderscheiden van andere jongeren. De levensstijl van de wakamans is ook de inspiratiebron voor andere jeugdige Creolen.
Hosselen is de hoofdbezigheid van de wakaman. Deze Surinaamse term heeft een waaier van betekenissen maar is bij ons vooral doorgedrongen in de zin van ‘het illegaal financieren van de heroïne of hard drugverslaving’.
Een hosselaar probeert door het klaren van een klusje of het zetten van een kraak aan geld voor drugs te komen. Volgens Trouw zijn er in Amsterdam alleen al honderden hosselaars of straatdealers die met de verkoop van metha (methadon), rooie knol (rohypnol; een slaapmiddel dat levensgevaarlijk kan zijn in combinatie met alcohol of andere drugs), wit of white (cocaïne), bruin of brown (heroïne), bolletjes (dope in plasticfolie verpakt), wikkels (dope in envelopjes van zilverpapier verpakt) enz. in hun levensonderhoud proberen te voorzien.
In plaats van hosselen wordt ook wel eens de uitdrukking ‘een hossel maken’ gehoord.
‘Bakkies hosselen’ is: (auto)radio’s stelen. Als veiligheidsmaatregel hebben pientere Nederlanders een zgn. blufpaneel in hun wagentje gemonteerd: een camouflageradio bestaande uit een plastic of papieren paneel met de vorm van een verouderd model autoradio. Dit wordt na het parkeren over de echte radio geplakt teneinde autokrakers te misleiden, te overbluffen. Zijn autodieven echt zo dom?

Een succesrijker carrière zie ik weggelegd voor het werkwoord hosselen.
Hossel en hosselen werden geïmporteerd uit Amerika waar ‘to hustle’ de slangbetekenis heeft van ‘geld, seks of drugs proberen te verkrijgen door illegale of quasi-legale bezigheden, bijvoorbeeld oplichterij, diefstal’.
In de drugssubcultuur wordt een hustler enorm bewonderd voor het vermogen om zijn operaties succesvol verder te zetten zonder door de politie aangepakt te worden. Het Amerikaans Engelse ‘hustle’ wordt door de meeste Engelse etymologen herleid tot het archaïsch Nederlandse ‘husselen’ of ‘hutselen’, intensiveringsvormen van hutsen of hotsen. De betekenis van dit werkwoord varieert maar verwijst toch naar allerlei vormen van (heen en weer) duwen.

Hosselen heeft echter niet alleen drugsconnotaties. In het Surinaams betekent het in de eerste plaats: zich inspannen, zijn best doen (om iets te bemachtigen of te bereiken). Ook staat dit werkwoord voor ‘moeizaam leven, i.h.b. van de hand in de tand leven’ en ‘bijbanen hebben om aan een voldoende inkomen te kunnen komen’; bij uitbreiding ook voor: ‘hard werken’.
Deze omschrijvingen geeft het Woordenboek van het Surinaams Nederlands.
De auteur vermeldt ook nog volgende samenstellingen en afleidingen:
hosselarij (het hosselen), hosselbus (bus waarmee de eigenaar op weinig stelselmatige wijze geld verdient. Een synoniem hiervoor is wilde bus.) en hosselwerk (los werk).
Ondertussen maakt men ook al het onderscheid tussen de zgn. zwarte hossel en de grijze hossel, net zoals men het heeft over zwartwerken en grijswerken.
Als synoniem van het werkwoord bijklussen duikt ook bijhosselen op.
Uit de Volkskrant van 1993: Het gaat hem, zegt hij, niet in de eerste plaats om het geld. Zakendoen heeft mijn belangstelling, maar het is niet zo dat ik van alle kanten bijhossel - bijklus, zoals de Nederlanders zeggen - alleen maar om meer te verdienen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten