16 april 2006

Lefgozers met lefpetjes.

Weet iemand nog wat een lefpetje is? Ik kwam het woord niet zo lang geleden tegen in een artikel in Vrij Nederland. De tekst ging over een ‘hosselende wakaman’ (over beide begrippen hebben we het hier een tijdje geleden al gehad) die de klep van zijn ‘lefpetje’ achterstevoren droeg.
‘Lef’ wordt al sedert 1860 in de volkstaal gebruikt voor moed, durf. Het werd ontleend aan het Hebreeuwse ‘lebh’ (hart, moed). Bij ‘lefpet’ kon ik (Vlaming zijnde) mij geen voorstelling maken.

Bespaar u de moeite want het woord staat niet (meer) in Van Dale, noch in enig ander woordenboek. Zelfs het WNT, de schatkamer van onze taal, doet er het zwijgen toe. Wel opgenomen zijn de ‘lefgozer’ (een durfal of opschepper) en het ‘lefdoekje’ (fijn zakdoekje dat als versiering in de borstzak wordt gestopt. In Vlaanderen noemt men dit een stoefzakdoek).

Deze woorden dateren van begin twintigste eeuw. ‘Lefgozer’ vinden we al terug in een Bargoens Woordenboek uit 1906. De term komt ook al voor bij de Amsterdamse volksschrijver Is. Querido (De Jordaan. 1912): ‘Sau'n lefgauser .... sau'n ribbemaus.’

Het ‘lefdoekje’ vinden we reeds in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 1927. Van Dale kent het nog steeds en omschrijft het woord als ‘pochet’.

Waarom dan ook niet de ‘lefpet’ opgenomen? Ik veronderstel dat de samenstellers van het woordenboek deze (Bargoense) term hebben geschrapt omdat ze meenden dat niemand dit woord nog gebruikt. Gelukkig staat ‘lefpet’ nog wel in de grote Koenen uit 1986.

We komen te weten dat het hier een grote, opzichtige pet betreft; meestal een uniformpet.

Auteurs zoals Jan Cremer, Jan de Hartog en Piet Bakker kennen de ‘lefpet’ wel want ze gebruikten het woord wel eens in hun boeken. De oudste vindplaats tot nu toe is 1922. Het woord heeft dus prima stand gehouden.

Persoonlijk vind ik het daarom tijd voor een herwaardering van de ‘lefpet’.

Volgende week: 'Het hol van Pluto.'

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen