22 april 2006

Het hol van Pluto.


Het Antwerps is een wereldtaal. Niemand die daaraan durft te twijfelen.
Dat Antwerpenaren over veel humor beschikken is ook genoegzaam bekend. Mocht u daar nog niet van overtuigd zijn, koop dan onmiddellijk ‘Het groot Sinjorenboek’ van Freddy Michiels.
Deze duizendpoot schreef niet alleen de in 2004 bekroonde misdaadroman ‘Het Hollywood Complot’, hij werkte ook nog eens 24 jaar in de filmjournalistiek, was uitgever van een maandblad voor het bedrijfsleven en ooit in een grijs verleden droeg hij de pet van hoofdredacteur van de Antwerpse Post. Uit die periode dateert zijn liefde voor het Antwerps.
Over dat dialect verschenen er al meerdere boeken maar deze pil steekt het ‘Woordenboek van het Antwerps Dialect’ van Jack De Graef naar de kroon.

Het is een flink uit de kluiten gewassen woordenboek, mooi uitgegeven bovendien. Iedere pagina nodigt uit tot lezen en… glimlachen. De Antwerpse woordenschat wordt zoveel mogelijk fonetisch weergegeven, maar dan wel in begrijpelijke mensentaal, niet in hiërogliefen.
Als we het goed begrijpen is dit slechts het eerste deel, in het najaar zou een tweede deel volgen met spreuken en zegswijzen.

Eindelijk lezen we waarom de Gazet van Antwerpen al sinds mensenheugenis ‘de Frut’ wordt genoemd en waar het scheldwoord ‘jannet’ vandaan komt. We weten nu ook waar Boemmerskonten, Borgerokko, Sjakkamakka en Teuttereweuttere zich bevinden.
Bij ieder lemma wordt wel een aardige anekdote of tooggrap verteld. Ook de etymologie wordt meestal gegeven, en die is vaak verrassend te noemen (zie bijvoorbeeld ‘amigo; kabardoesj; lorejas; makak; marode; raake stinkerd; rotzak; scharminkel’). Jammer genoeg vinden we geen informatie over de herkomst van o.a. de oelewapper.
Typisch Antwerpse benamingen zijn o.a. ‘baron-zeep; betonnen klakske; boerentram; den Bunker; Canadablokken; drol van Janus; Kielse rat; de Konaanepaap; sjokkedaazen; tjoeksjoek.’ Andere woorden en uitdrukkingen komen dan weer bekend voor:
‘azaanzeiker; babbelwater; bitskoemmer (vgl. de Bargoense term bietskommer); blauw-blauw; broekhoest; buktem (denk aan de Bargoense term bukshag); cordon sanitaire; engeltjesmokster; Eroscenter; fok (bril); hoerenmadam; hotel den houten lepel; Jezismarante; karakterdanseres; klokkenspel; marode; parlevinker enz.’
Het is zeer de vraag of dit wel typisch Antwerpse woorden zijn.
Overigens, wat doen Engelse termen zoals ‘bimbo’ en ‘junkmail’ in een woordenlijst van het Antwerps? Een goede eindredacteur had deze en andere schoonheidsfoutjes (een aantal hinderlijke zetfouten in de omschrijvingen) eruit kunnen halen.
Nu staat de uitdrukking ‘het hol van Pluto’ op twee plaatsen in het boek: één keer onder het lemma ‘hol’, een tweede maal onder ‘Pluto’, met telkens een andere uitleg.
We zullen het voorlopig maar ‘blauw-blauw’ laten maar hopelijk wordt één en ander gecorrigeerd in een tweede druk. Die mag voor mijn part nog best wat aangedikt.
Het groot Sinjorenboek van Freddy Michiels is uitgegeven bij Artus, paperback, 544 p., leeslint, € 24,95, ISBN 90-809-0354-X..

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen