12 december 2008

De taal van kakkelijers en netekoppies.


Voor mij ligt het vijfde druk van ‘De vollekstaol van de stad Uterech’. Auteur is Martens van Vliet, Utrechter in hart en nieren.
Naar het schijnt wordt dit dialect in Nederland voor dom en onderontwikkeld versleten. De sprekers zouden ook niet bepaald fier zijn op hun streektaal. Ik durf hier geen oordeel over vellen. Wel kan ik vaststellen is dat het om erg kleurrijk taalgebruik gaat, al lijkt de spelling mij aartsmoeilijk.

Wie het taaltje graag eens wil beluisteren kan dit vanaf nu met de bijgeleverde cd-rom. Hierop staan interviewfragmenten, opgenomen in Volksbuurt Museum Wijk C. Verder heeft dialectoloog H. Scholtmeijer vooraan in het boek enkele aspecten van de klank- en vormleer van het Stad-Utrechts nader belicht. Wie hier niet genoeg aan heeft kan nog altijd de dramaserie ‘Nachtegaal en Zonen’ op de Nederlandse teevee eens bekijken. Of zijn oor te luisteren leggen bij typisch Utrechtse cabaretiers als Tineke Schouten, Herman van Veen en Rijk de Gooyer. Omdat in veel arbeiderswijken de veryupping haar intrede heeft gedaan en veel authentieke Utrechters plaats maakten voor nieuwe inwoners, zoals allochtonen, gaat het om een uitstervend dialect. En dat is jammer. Auteur Martens van Vliet wil dit dialect levend houden.
De omvang van het boek is in ieder geval sterk toegenomen in vergelijking met vorige drukken. Ook al hebt u het Utrechts nooit eerder gehoord, dan kent u mogelijk onbewust toch een paar woorden. ‘Âchterlijke gladdioal’ bijvoorbeeld, een scheldwoord voor een sufferd of iemand die iets vreemds doet. Deze schimpnaam werd in de jaren zeventig van vorige eeuw bedacht door cabaretier Herman Berkien (+ 2005). Mogelijk bent u ook op de hoogte omtrent de dubbelzinnigheid rond de term ‘Utrechtenaar’ (homoseksueel). Inwoners verkiezen de term Utrechter. De merkwaardige geschiedenis rond dit woord wordt op erg vermakelijke wijze uit de doeken gedaan.
‘Bonker’ voor een korte, duffelse jas, is wellicht ook in andere regio’s bekend. ‘Niki Lauda’ blijkt in Utrecht een schreeuw te zijn naar een autobestuurder als hij (te) hard langsrijdt. De naam verwijst uiteraard naar de Oostenrijkse autocoureur. En zo zijn er wel meer voorbeelden aan te halen van komisch taalgebruik. ‘Praot m’r teuge me kont, wânt me kop is ziek’ (gezegd wanneer iemand niet luistert) doet me denken aan de Franse uitroep ‘cause à mon cul, ma tête est malade’, dat reeds opgetekend werd in de 17de eeuw. Een ‘natte krant’ (vrouw die van alles wil weten om het te kunnen doorvertellen) vinden we hier in een betekenis die nog niet in Van Dale staat.
En vooruit, nog ééntje om het af te leren : ‘over honderd jaor hemme allemáól ‘n geitekop’ (dan is niemand meer in leven). Een waarheid als een koe ! Prachtboek. Ik wens de auteur veel succes.

B. J. Martens van Vliet : De vollekstaol van de stad Uterech. Spraakkunst en lijst met woorden, uitdrukkingen en zinsneden. 5de herziene en uitgebreide druk. Uitgeverij Spou. ISBN 9789054790945

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen