11 februari 2007

Moet er nog chocola zijn?

Aan de Azteken danken wij het woord chocolade. In hun Nahuatl-taal is xocolatl een samenstelling van de woorden xococ (bitter) en atl (water).
Sommige lexicografen brengen de naam evenwel in verband met de Azteekse god van wijsheid en kennis, Quetzalcoatl.
De Spanjaarden die de Nieuwe Wereld ontdekten, noemden het chocolata en importeerden het in de 16de eeuw naar Europa. Toen de Spaanse veroveraar Ferdinando Cortez in 1519 voet aan wal zette in Mexico, leerde hij een product kennen dat was samengesteld uit 3 verschillende bonenplanten: een rode (het piment), een gele (maïs) en een roodachtige (cacao). De Azteken beschouwden deze pasta, die tot stand kwam na het roosteren en malen van de bonen, als een Afrodisiacum. De Engelsen, die er veel later mee kennis maakten, toonden zich aanvankelijk ook erg bezorgd over de kuisheid van hun chocoladedrinkende echtgenotes.
Nadat de Spanjaarden deze delicatesse ontdekten, veranderden ze de samenstelling van het product en vervingen het piment en de maïs door honing en kaneel.

Volgens Le Petit Robert dateert het woord chocolade van 1598 (althans in de Franse taal). Het WNT vermeldt als oudste Nederlandstalige bron ‘de Briefwisseling van de Gebroeders van der Goes’ (1659-1679)’ maar wellicht kwam het al eerder op schrift voor. Edward Grimstone’s Acosta’s Historie of the West Indies uit 1604 maakt er al melding van.

Chocolade bereid met suiker zou een uitvinding geweest zijn van een kloosterlinge. In eerste instantie werd het verkocht als middel tegen miltjicht. Tot 1600 werd dit voedzaam middel enkel door gegoede burgers geproefd (het was toen nog erg duur). De eerste Londense winkel die chocolade verkocht, opende in 1657. In België werd het product aanvankelijk niet aanvaard. Op een koninklijk plakkaat van 1699 werd in Antwerpen het schenken van koffie, thee en chocolade verboden, samen met het gokken!

Wordt vervolgd.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen