09 mei 2006

Lijk in de kast. Deel 2.

De Britse auteur William Makepeace Thackeray (1811-63) gebruikte de uitdrukking in een verhaal dat hij in 1845 voor het tijdschrift Punch schreef. Het is de oudste Engelse vindplaats in druk, maar volgens de Oxford English Dictionary werd deze wending al lang voordien gebruikt. In ieder geval moet Thackeray ervan gecharmeerd geweest zijn, want tien jaar later, in 1855, gebruikte hij de uitdrukking opnieuw, deze keer in een stuk waarin hij een voorname familie aanviel: The Newcomes. Volgens de auteur heeft iedere familie minstens één lijk in de kast: een huiselijke bron van zorgen of schande, door het gezin verborgen gehouden. Zo kan een oom die aan de drank is of in de gevangenis verblijft, een lijk in de kast zijn! Het zijn dingen waarover men niet graag in het openbaar spreekt. Ze bezorgen de familie of de gemeenschap waartoe men behoort alleen maar een slechte naam.

Na Thackeray werd de uitdrukking verder gepopulariseerd door andere 19de-eeuwse Britse schrijvers zoals J.B. Priestley, Dickens en G.B.Shaw.

De herkomst blijft echter een mysterie. Volgens sommige lexicografen verwijst de uitdrukking naar een oud griezelverhaal over de zoektocht naar een echt gelukkig iemand, een persoon bevrijd van alle zorgen. Zodra zo iemand gevonden is, wordt hij door de vrouwelijke hoofdpersoon meegenomen naar een kamer. De vrouw opent een kast waarin een menselijk skelet ligt opgeborgen. Ik probeer mijn zorgen voor mezelf te houden, zegt ze, maar elke nacht verplicht mijn echtgenoot me om dat skelet te kussen. Het skelet is dat van een vroegere minnaar die door de echtgenoot gedood werd. Er bestaat evenwel geen enkel bewijs dat dit verhaal ooit werd opgetekend. Wellicht is het ontstaan in de fantasierijke geest van één of andere lexicograaf. Enkele woordenaars menen dat de wortels van deze uitdrukking in de anatomie liggen. De weten­schappelijke studie van de menselijke ontleedkunde is een vrij recente ontwikkeling. Vroeger weigerden artsen om in een lijk te snijden uit vrees voor de geest van de afgestorvene. Uit respect voor de doden verbood de Engelse wetgeving om aan ontleedkunde te doen. Een uitzondering vormde het snijden in het lichaam van een terechtgestelde misdadiger.

De wet over de anatomie veranderde in 1832. Vanaf toen werd de ontleding van een lichaam als studie en in het kader van wetenschappelijk onderzoek toegestaan. De opkomst van de moderne geneeskunde zorgde voor een grote vraag naar anatomisch materiaal, maar het aanbod was klein. Sommige artsen namen daarom hun toevlucht tot weinig scrupuleuze manieren van zaken doen. Ze kochten hun 'lijken' bij professionele grafplunderaars tegen buitensporig hoge prijzen. De meeste artsen konden tijdens hun loopbaan slechts één lichaam ontleden. Vanwege de publieke opinie was het natuurlijk gevaarlijk voor een arts om een lijk zo maar in zijn huis te houden. De voorzichtige anatoom verstopte het dus in een donkere hoek waar bezoekers het niet konden zien. De macabere handel tussen artsen en grafplunderaars was een kwestie van strikte geheimhouding en veel ambitieuze geneeskundigen hadden een skelet in hun kast. Als herkomstverklaring lijkt deze hypothese in elk geval geloofwaardiger. Maar, er blijven vraagtekens!

Eén enkele bron vermeldt namelijk een oudere variant van onze zegswijze: a black man in the closet. Een Engelssprekende denkt bij dit laatste automatisch aan de uitdrukking ‘a nigger in the woodpile’ (een addertje onder het gras), maar of dat er iets mee te maken heeft, is natuurlijk een andere vraag.

Eigenaardig is ook dat men in het 19de-eeuwse Frans het woord ‘cadavre’ gebruikte in de zin van 'laakbaar of strafbaar feit dat door de belanghebbende(n) geheim wordt gehouden'. Le Dictionnaire du Francais non conventionnel (Jacques Cellard & Alain Rey, 1991) citeert de roman L'amour a Paris (1886-1890) van een zekere Goron. Over un cadavre dans Ie placard heeft dit woordenboek van het informele Frans het niet. Wellicht is de rest er later, onder invloed van het Engels, bijgevoegd.

Een belangrijk 19de-eeuws Engels slangwoorden­boek vermeldt bij de uitdrukking ‘a skeleton in the cupboard’ niet alleen de varianten ‘locker, closet, house’, maar eveneens het Franse equivalent ‘cadavre’ (zonder nadere toelichting!). Daarmee kunnen we niet met zekerheid zeggen of de geestelijke vader van onze zegswijze nu een Fransman dan wel een Brit was.

In het Nederlands is de wending ‘lijk in de kast’ wel erg laat in zwang gekomen. Daar onze politici regelmatig in internationale kringen verkeren, is het niet denkbeeldig dat zij de zegswijze hebben opgevangen van hun Engelstalige collega's.

In de Nederlandse Tweede Kamer (hetgeen in België Kamer van Volksvertegenwoordigers heet) vallen er regelmatig politieke lijken, zij het dan niet uit een kast!

Een ‘lijk’ is in het Nederlandse politieke jargon een belediging of een krachtterm gebruikt tegenover een kamerlid of een bevriend staatshoofd. Zo'n onparlementaire uitlating of onwelvoeglijk woord mag niet in de officiële notulen of 'Handelingen' worden opgenomen. Daarom moet het apart, als lijk geklasseerd worden. De voorzitter van de Kamer moet ervoor waken dat een Kamerlid zich van zo'n ‘lijk’ bedient. De meest voor de hand liggende lijken zijn beledigingen in de aard van 'leugenaar', 'schoft' of vloeken zoals 'verdomme'. Toen Kamerlid Marcel van Dam de regering in 1980 beschuldigde van 'leugens', moest dit op aandrang van de Kamervoorzitter veranderd worden in: ‘het tegendeel van de waarheid heb ik zelden pregnanter gehoord.’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen