24 mei 2006

Het F-woord.

Uit de Angelsaksische landen importeerden wij het ‘f-woord’ (een gelegenheidseufemisme voor fuck, niet alleen de daad, maar ook de krachtterm). Deze preutse formulering ontstond in de jaren zeventig van vorige eeuw in Amerika, waar het de oudere omschrijving (daterend uit 1934) ‘four-letter word’ (bij ons: drieletterwoord of schuttingwoord) verving.
Een decennium later zorgde dit patroon voor een vlaag van gelijkaardige formuleringen, gaande van ernstig (c-word voor cunt, kut), en polemisch (l-word voor liberal, in Amerika een te mijden term) tot grappig.

De Amerikaanse lexicograaf Jesse Sheidlower publiceerde in 1995 ‘The F-word’ met duizenden ongecensureerde citaten van wat door velen beschouwd wordt als het meest vulgaire woord uit de Engelse taal.

Ooit werd in het puriteinse Amerika een woord zoals ‘fuck’ in druk angstvallig vermeden of op hypocriete wijze gecastreerd tot f**k (de eerste keer dat het onafgekort in The New York Times verscheen was in 1998!), nu werd er zowaar een volledig woordenboek aan dit vulgarisme gewijd.
In de jaren tachtig van de twintigste eeuw werden ook in ons taalgebied constructies van letters met het achtervoegsel ‘woord’ populair. Voor journalisten is het een geliefde strategie geworden om indirect naar taboetermen te verwijzen door het gebruik van een ‘x-woord’ (waarbij x de eerste letter van dat woord is). Ook bij ons gaat het niet altijd om eufemismen. Vaak wordt het gewoon voor de grap gedaan (het p-woord voor poldermodel bijvoor­beeld) maar meestal gebeurt het in volle ernst: het a-woord (voor Aids, ook wel de Grote Ziekte genoemd), het c-woord (corruptie), het g-woord (genocide) enz. Er kunnen eindeloos varianten bedacht worden.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen