01 augustus 2006

Hapscheerders.

“En paerden steelen, moet de hapscheer klimmen leeren” lezen we bij Pieter Langendijk (Het wederzyds huwelyksbedrog. 1714).

Hapschaar, hapscheer of hapscheerder is een verouderd scheldwoord met meerdere betekenissen: durfal; waaghals; inhalige vent; vrek; rare vent; vreemde snuiter.
Oorspronkelijk werd er ‘een gerechtsdienaar, een diender of dievenvanger’ mee bedoeld. In die betekenis vinden we het woord al terug in het werk van Erasmus.
Theun de Vries gebruikte het in één van zijn historische romans zelfs in de betekenis van ‘zwervende soldaat’.

We hebben hier te maken met verhaspeld Frans: ‘happe-chair’. Wellicht is het een samensmelting van het werkwoord ‘happer’ (vangen, snappen) en het zelfstandig naamwoord ‘chair’ (vlees).

De ‘hapschaar, hapscheer’ of ‘hapscheerder’ stond blijkbaar erg laag op de maatschappelijke ladder. Hierdoor kreeg het woord allerlei negatieve connotaties. De betekenis van ‘vrek’ werd o.a. in Maaseik opgetekend. In Deventer werd het gebruikt voor een vrouw met een grote mond en in de Zaanstreek verstond men er een ‘rare snuiter’ onder.

Tegenwoordig wordt het woord nog enkel gewestelijk gebruikt. Uit de mond van kapitein Haddock (uit Kuifje) tekenden we wel meer oude scheldwoorden op.
“Kom hier, als je durft, hapschaar en ik verander je in een beddenkleedje!”
Een verbastering van hapschaar is hapsnurker.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen