18 juli 2006

De nieuwe dildo's.

Dildo kennen wij vooral in de betekenis van 'kunstpenis van plastic of rubber'.
Sedert eind jaren tachtig van vorige eeuw wordt het ook als scheldwoord gebruikt voor een vreemd of waardeloos persoon. Denken we hierbij aan de overdrachtelijke betekenis van lul.
Dildo als invectief wordt voor het eerst vermeld in het Nationaal Scheldwoordenboek van Kristiaan Laps uit 1984. Ongetwijfeld hebben wij het overgenomen van Engelssprekenden die het gebruiken in de zin van sufferd of lul. In Amerika kent men het ook nog in de betekenis van een verwijfde man.

Uit historische documenten blijkt dat dildo’s (de seksattributen dus) al gebruikt werden in het oude Griekenland. Ze werden gemaakt van hout of opgevuld leder.
Volgens de ‘Dictionary of Early English’ van Joseph T. Shipley (1968) was dildo een nonsenswoord dat in talrijke gewaagde liedjes uit de zestiende en zeventiende eeuw voorkwam. De vroegste vermelding in het Engels is een schunnig gedicht van Thomas Nashe (1567-1601): ‘The choice of Valentines’.
Daarin weigert het lid van de dichter op een cruciaal moment dienst. Hij wijst het aldus terecht: ‘My little dildo shall supply your kind. A youth is as light as leaves in the wind; He bendeth not, not foldeth any deal, But stands as stiff as he were made of steel.’ Ook William Shakespeare gebruikte het woord in ‘The Winter’s Tale’ (1610-11).

Over de etymologie is al heel wat te doen geweest. Volgens sommigen is het de Spaanse naam van een cactus, nl. de ‘Cephalocereus Royeni’ (die wel een fallusvorm heeft maar toch eerder prikkend dan prikkelend te noemen is). Anderen zien er het Italiaanse woord ‘diletto’ (genot) in terug. Ook het Arabisch zou een bron kunnen zijn, nl. ‘doeldoel’ (dat wat bungelt). Het Engels zelf valt ook niet uit te sluiten. ‘Dally’ (speeltuig) is dan een mogelijkheid, maar ook een samentrekking van de woorden ‘this will do’ of het slangwerkwoord ‘to diddle’, dat zowel ‘foppen’, ‘neuken’ als ‘masturberen’ en ‘op een prettige manier de tijd passeren’ kan betekenen.
De laatste omschrijving vinden we overigens terug in de Italiaanse benaming voor een dildo, nl. ‘passatiempo’. Er kan ook verwantschap zijn met het Australische woord ‘dillypot’ (rijmslang voor ‘twat’, kut). Een andere herkomstverklaring, die nog nergens gesuggereerd werd, is een mogelijke verwantschap met het Franse argotwoord ‘dille’ (penis), in de zestiende eeuw reeds door Rabelais gebruikt! Vraag is natuurlijk waarom de Fransen zelf dan het woord ‘dildo’ niet gebruiken. Zij verkiezen immers andere benamingen, zoals: ‘bientateur’ (goeddoener); ‘consolateur’ (trooster) en ‘godemiché’ (van het Latijnse ‘gaude mihi’: doe mij een genoegen). In Duitsland heeft men het over een ‘Phallus Phantom’.

Als scheldwoord is dildo nu ook in ons taalgebied in opkomst. Eind jaren negentig stond er in NRC Handelsblad:
'Jammer dat die dildo's uit Rotterdam zich ook op deze pagina gaan uitleven.’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen