01 juni 2009

Flapdrollen.

Afgelopen week was het weer eens trammelant in Wildersland. Discussies in het parlement zijn vaak zaaddodend. Van een homo politicus zijn we het niet gewoon dat hij ook straattaal gebruikt tegenover zijn collega’s. Maar dinsdag, 26 mei, was het even bij de wilde duinkonijnen af.
SP-kamerlid Jan Marijnissen noemde minister Bert Koenders (PvdA) voor Ontwikkelingssamenwerking zomaar een ‘flapdrol’. Getsie, wat een spierballentaal zeg!
‘Jij hoort niet in de Kamer thuis’ zei de Verschrikkelijke Schreeuwman nog.
Koenders vond dit niet kunnen en maakte achteraf zijn beklag tegen persbureau ANP. Hij voelde zich in zijn kuif gepikt. SP-leider Agnes Kant verdedigde Marijnissen en voegde er nog aan toe dat Koenders een klein kind was. Ze vond ‘flapdrol’ een keurig Nederlands woord en in dit geval een ‘terechte constatering’.
Kut met peren natuurlijk. Flapdrol is gewoon straattaal of slang. Dat vertelde ik diezelfde avond ook op de NOS Radio 1 tijdens een interview voor het programma "Met het Oog op Morgen". Men vroeg mij of je flapdrol kon beschouwen als scheldwoord. Ik antwoordde diplomatisch dat dit van een aantal zaken afhing. De context is belangrijk maar ook de intonatie en de plaats (het maakt wel verschil of je zo’n woord in vertrouwelijke kring gebruikt dan wel tegen een politieagent of in het parlement). Bovendien bestaat er zoiets als respect. Een vriend of collega lacht zo’n schimpnaam wellicht gewoon weg maar in een praatbarak zoals het Nederlands parlement getuigt het mijns inziens van weinig respect.

Flapdrol is ook geen standaardtaal. Het behoorde oorspronkelijk tot het Bargoens (de geheimtaal van dieven en landlopers) van eind negentiende eeuw.
Het was niet alleen een scheldwoord voor een vent van niks, een sufferd of slome, maar ook was het van toepassing op een vrouw waar ‘geen boon aan gelegen is’, een kreng of een trut.
“Is me dat een flapdrol van een meid!” lazen we al in het boek ‘Kamertjeszonde’ (uit 1897) van Herman Heijermans. Flapdrol werd eveneens gebruikt om een prostituĂ©e mee aan te duiden. Hoe komt het dat we flapdrol beschouwen als een scheldwoord? Ik denk dat veel te maken heeft met het tweede deel van deze samenstelling. ‘Flap’ betekent gewoon ‘neerhangend lapje’ maar ‘drol’ slaat op iets met een niet-vaste substantie. Charles Edgard du Perron, een Nederlands dichter en criticus, suggereerde begin twintigste eeuw in zijn briefwisseling met zijn collega, Menno ter Braak, om in diens nieuwe roman de woorden ‘boerelul’ en ‘flapdrol’ te vervangen door ‘boereknul’ en ‘fluim’. Bijna een eeuw later zijn de gemoederen nog niet gesust. Flapdrol is nog steeds geen parlementaire uitdrukking, daarvoor blijft het te informeel. De fatsoensgestapo had deze keer recht van spreken.

2 opmerkingen:

  1. In 1913 kreeg je nog tien dagen gevangenisstraf voor zo'n belediging, zie de column van Ewoud Sanders over deze kwestie: http://weblogs3.nrc.nl/woordhoek/2009/05/29/tien-dagen-de-bak-in-vanwege-het-woord-flapdrol/

    En jij noemt voorbeelden uit de literaire hoek uit 1897 en uit het interbellum, de tijd van de vorm-of-vent-discussie.

    Maar anno nu? Ik vind flapdrol anno 2009 een grappig woord en een onschadelijke 'belediging', vergelijkbaar met 'flapuit' en 'jij was een beetje dom'.
    Als je 'flapdrol' vergelijkt met andere toewensingen die mensen uit het onderwijs, politieapparaat, de zorg e.d. toegeroepen krijgen, dan staat 'flapdrol' voor mij op de alleronderste tree van de beledigingsladder.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Marc De Coster6:53 p.m.

    Het is inderdaad een grappig woord maar daarom zou ik het toch nog niet tegenover een politieagent gebruiken. Zoals ik reeds schreef: veel hangt af van de context, de intonatie e.d. In Vlaanderen zou je er tegenover de politie beslist niet mee wegkomen. Hier is dit (scheld)woord veel minder courant (waardoor het ook minder onschuldig klinkt).

    BeantwoordenVerwijderen