29 juni 2006

De grote Lus.

‘Het circus van Jacques Goddet’ werd de Tour de France ooit genoemd. Een verwijzing naar de Fransman Jaques Goddet die samen met Félix Lévitan jarenlang het bewind voerde in de Tour. Fransen spreken sinds 1903 ook over de ‘Grande Boucle’, de Grote Lus (een term die ook onder Nederlandse vakjournalisten werd gebruikt). Zo stond er in 1989 in Wieler Revue:
“Nooit eerder in de toch turbulente geschiedenis van de Grote Lus slaagde een favoriet van het kaliber Pedro Delgado erin om met zo’n geweldige zeperd aan de klus te beginnen.’

Wat telt in de Tour zijn ‘het hoofd en de benen’, de combinatie van intelligentie en spierkracht. In 1895 publiceerde de oprichter van de Tour, de Fransman Henri Desgrange, zijn beroemde boek ‘La tête et les jambes’. In de jaren zestig van vorige eeuw liep er op de Franse tv een quiz gecombineerd met een heuse wedstrijd onder dezelfde titel. Hierin namen scholieren het op tegen sportlui.

Zoals elk jaar nemen de ‘grote kanonnen’ het tegen elkaar op. Deze vedetten worden in de Franse pers ‘les ténors de l’équipe’ genoemd. In hun kielzog volgt de ‘karavaan’(renners, motoren, auto’s en niet te vergeten de bezemwagen).
Laat het duidelijk zijn: dit is geen kermiskoers. In de Tour heb je tempobeulen, adelaars en berggeiten, maar ook de mindere goden. Zij moeten de vele ‘bulten’ en ‘cols’ trotseren, de zwaarste wellicht ‘de beul (reus) van de provence’ (bijnaam van de Mont Ventoux, een 21,5 km lange col in de Provence. Voor het eerst beklommen in de Tour van 1951). Fransen noemen hem ‘le col des tempêtes.’ Wij hebben het ook wel over ‘de kale berg’.

In 2006 doet de Tour de France de Mont Ventoux, na drie jaar afwezigheid, opnieuw aan. In 2002 bleek Virenque de sterkste. Twee jaar daarvoor was het Pantini die bovenop de Ventoux won. Wie zal deze keer ‘bergkoning’ worden? Ongetwijfeld zijn er nog andere ‘scherprechters’ en ‘kuitenbijters’ op het parcours.

12 juni 2006

Renners en hun truien.

De ‘helden van het smalle zadel’ dokkeren weer over de kasseien. Tijd dus om eens even stil te staan bij hun kleding, m.n. de truien.

Sedert 1919 draagt de leider in het algemeen klassement van de Tour de France een gele trui.
Eugène Christophe, een Franse renner, was de eerste die deze trui mocht aantrekken. Volgens de annalen raakte hij hem na vier dagen weer kwijt door materiaalpech.
Het toenmalige blad L’auto (het huidige L’Equipe) verscheen op geel papier. Vandaar dat geel ook de hoofdkleur werd voor de Tour. Hierdoor werd het voor de pers makkelijker om de leider te herkennen.
De gele trui noemt men in het Franse argot ‘banane’ of ‘paletot’. De drager ervan wordt in Vlaamse sportkringen vaak schertsend de ‘kanariepiet’ genoemd.

De roze trui of de leiderstrui in de Ronde van Italië komt dan weer van de kleur waarop La Gazetta dello Sport wordt gedrukt.
De groene trui is het tricot dat wordt gedragen door de leider in het puntenklassement van de Tour. De eerste die hem veroverde was de Zwitserse renner Fritz Schaer in 1953.
De beste sprinter in de Tour komt in aanmerking voor de blauwe trui.

De bolletjestrui is dan weer weggelegd voor de beste klimmer in de Tour. Vlamingen hebben het liever over de ‘ballentrui’ of de ‘mazelentrui’.
Grote klimmers uit de wielerhistorie zijn Fausto Coppi en Charly Gaul. Steven Rooks was de eerste Nederlander die het bergklassement (1969, 1970) won.

En de regenboogtrui tenslotte is slechts weggelegd voor de wereldkampioenen.
Wie een andere renner ‘uit zijn trui rijdt’ zorgt er voor dat deze rivaal zijn leiderspositie kwijt raakt.

Binnenkort meer over de verschillende benamingen van de Tour de France.

07 juni 2006

Pepermuntvreters.

Volgens Van Dale is ‘pepermuntvreter’ een vulgair scheldwoord voor een gereformeerde.

Als je gereformeerd was dan at je zondags een King-pepermunt op. Dat muntje was bij gereformeerden verantwoord en populair 'omdat het precies een preek lang duurde voordat het in de mond gesmolten was'.
Niet voor niets wordt pepermunt schertsend ‘kerkvoer’ genoemd. Hervormden sabbelden op een Faam (die waren wat zachter).

Stef Bos schreef er een liedje over, met de mooie regels:

“'Als de dominee op dreef was tegen oorlog en geweld en als ik alle kleine ruitjes van elk kerkraam had geteld. Dan greep mijn moeder in haar handtas Voor het juiste medicijn En ze gaf me witte pillen En die verzachtten alle pijn. Pepermunt Pepermunt Als de preek je gaat vervelen als je niet meer luisteren kunt.”

30 mei 2006

Duitse vocabulaire van dieven en landlopers.



Wie een studie wil maken over het Bargoens kan niet om het ‘Wörterbuch des Rotwelschen’ (uit 1956) van Siegmund A. Wolf heen.
Rotwelsch kunnen we vertalen als het Latijn (Welsch) van de bedriegers (rot). Naast Middelhoogduitse elementen bevat het oude Jiddische uitdrukkingen en begrippen uit Romaanse en Slavische talen.
In het "Liber Vagatorum" (1520) vinden we woorden terug die vandaag de dag nog steeds gebruikt worden door Weense landlopers en deernen.

Socioloog Roland Girtler behandelt in zijn boek ‘Rotwelsch. Die alte Sprache der Gauner, Dirnen und Vagabunden’ (1998, Böhlau Verlag Wien-Köln-Weimar) vooral de Oostenrijkse, en meer specifiek de Weense dieventaal.
In een twintigtal artikels gaat hij eerst dieper in op de geschiedenis van dieven, vagebonden en lichtekooien. Aan bod komen o.a. de betekenis van het woord ‘Rotwelsch’, de invloed van het Jiddisch, oude woordenboeken over de dieventaal, vagantenliederen, overleven op straat, soorten bedelaars en dieven, de trucs die ze gebruiken, het gevangenisleven, de tekens die ze nalaten op huizen.
In het tweede deel van het boek wordt het taalgebruik vakkundig onder de loep genomen. Vooral het hoofdstuk ‘Die Lebensbereiche des Rotwelsch’ is erg interessant. Het bevat een systematische opgave van woorden en uitdrukkingen uit het Rotwelsch die zich rondom een bepaald begrip lieten verzamelen. Via deze begrippenlijst vind je makkelijk bij het nette Duitse woord de vertaling naar het Rotwelsch.

Achteraan in het boek vind je nog een register van de behandelde termen uit het Rotwelsch.
Waarom is dit boek nu ook nuttig voor Nederlandstaligen?
Omdat er veel raakpunten zijn met ons Bargoens en omdat heel wat begrippen uit het Rotwelsch ons vertrouwd in de oren zullen klinken: Ponum (gezicht); Mischpoke (familie); Beis (huis); jovel (ons woordje ‘jofel’); Masematte (gestolen goed, maar ook: handel); chawer (ons woordje ‘gabber’).

Of de auteur volledigheid nastreefde betwijfel ik. Zo ontbreken bijvoorbeeld de termen ‘Hochstapler’ en ‘Porzellanfuhre’ (beide wel terug te vinden in het boek van Wolf).
Verder echter niets dan lof voor dit werk. Hopelijk vind het navolging.
ISBN 3-205-98902-3
255 p.
€ 23,80